Categorie archief: Jubilea en herdenkingsdata

Van oud naar nieuw: terugblikken en vooruitkijken

Laatste bladzijde van het vonnis van het Hof van Gelderland in de zaak tussen graaf Joost van Limburg Stirum en de vorstbisschop van Münster, 1615.
Laatste bladzijde van het vonnis van het Hof van Gelderland in de zaak tussen graaf Joost van Limburg Stirum en de vorstbisschop van Münster, 1615.

Het afgelopen jaar 2016 stond in het teken van de vierhonderdste verjaardag van de incorporatie van de Heerlijkheid Borculo in de provincie Gelderland en Graafschap Zutphen. Die gebeurtenis, die een aanvang nam met het vonnis van het Hof van Gelre en Zutphen op 20 december 1615, en vervolgens uitgevoerd werd in januari (Lichtenvoorde) en februari 1616 (Borculo), is misschien wel het meest bepalend geweest is de geschiedenis van beide gebieden. Zonder dat vonnis was Borculo waarschijnlijk geëindigd als Duits grondgebied. Aan deze gebeurtenissen werd alleen in Borculo en Lichtenvoorde aandacht geschonken, maar niet in Eibergen, Geesteren  en Neede, plaatsen die in 1615 ook overgingen van Münster naar Gelderland. Een van de gevolgen van de overgang was dat de kerken in de Heerlijkheid in calvinistische zin werden hervormd. In Lichtenvoorde en Borculo werd de hervorming hoogstpersoonlijk ingevoerd door de grote Zutphense predikant Wilhelmus Baudartius.  Alleen in de kerk van Borculo werd bij deze gebeurtenis stilgestaan. Hier lieten alle andere plaatsen verstek gaan. Het is te betreuren dat enkele heemkundekringen zo weinig historisch besef aan de dag leggen.

Grafmonument voor vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen in de Domkerk van Münster.
Grafmonument voor vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen in de Domkerk van Münster.

De poging, in 1665-1666, van vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen om de Heerlijkheid Borculo te heroveren op Gelderland en de Republiek, liep op een grote mislukking uit. Weliswaar werd het gebied veroverd en voerde Von Galen zelf de troepen aan die Borculo belegerden en (snel) bezetten,  maar al voor het eind van het jaar 1665 was duidelijk dat de verovering moest mislukken. Dit ‘landoorlogje’ (Poelhekke) heeft altijd in de schaduw gestaan van de oorlog die in 1672 uitbrak, ons ‘Rampjaar’.  Aan de ‘Eerste Münsterse Oorlog’ kwam een eind op 18 april 1666 toen de Vrede van Kleef werd gesloten en Von Galen al zijn bezette gebieden weer op moest geven en de Heerlijkheid Borculo weer terug moest zetten naar de verhoudingen van vóór de oorlog. Overigens werden de  bepalingen van Kleef  in 1674 in de Vrede van Keulen bevestigd.

Koopcontract Borculo en Lichtenvoorde, 27-12-1776
Handtekening en zegel van stadhouder Prins Willem V van Oranje-Nassau onder het koopcontract van de heerlijkheden Borculo en Lichtenvoorde, 27 december 1776 op ‘Ons Hoff te ’s Graevenhage’ (= het Binnenhof).

Wat de Heerlijkheid Borculo (en Lichtenvoorde) betreft, werpt een nieuw jubileum alweer zijn schaduw vooruit. In 2026/2027 kan de 250ste verjaardag herdacht worden van de aankoop van de Heerlijkheden Borculo en Lichtenvoorde door stadhouder Prins Willem V, die daardoor Heer van Borculo en Lichtenvoorde werd. Op 27 december j.l. was dat precies 240 jaar geleden.

Laatste bladzijde van het verdrag tussen Gelderland en Münster over de plaatsing van stenen op de overeengekomen grens, 1766. (GldA)
Laatste bladzijde van het verdrag tussen Gelderland en Münster over de plaatsing van stenen op de overeengekomen grens, 1766. (GldA)

Een ander jubileum  van formaat had betrekking op de herdenking van de 250ste verjaardag van het verdrag van Burlo van 1765, dat de grenzen tussen Gelderland en Münster grotendeels definitief vastlegde. De fraaie stenen, voorzien van de wapens van beide landen en het jaartal 1766 getuigen daar nog van. Het jubileum werd regionaal opgepakt, met o.a. een tentoonstelling en een brochure. Die laatste maakte het gemis aan een goed historisch onderzoek echter niet goed. Op regionaal en provinciaal niveau kreeg de landsgrensvaststelling van 1766 weinig aandacht. Dat geldt zeker voor de grens tussen de Heerlijkheid Borculo en het kerspel Vreden.

In november verscheen een fraai vormgegeven boek met artikelen van ‘streekhistoricus’ Hendrik Odink. De liefhebbers van de regionale geschiedenis zouden wellicht nog meer gediend zijn met de publicatie (op het internet) van diens onuitgegeven geschriften en – vooral – van diens aantekeningen. Datzelfde geldt ook voor Odinks grote voorbeeld, meester Heuvel.

Bij de tentoonstelling van de missaalrest op 10 september 29016 is een doorlopende diavoorstelling gemaakt. Hierin wordt ingegaan op de achtergronden van het document en de Reformatie tussen 1517 en 1616 in Eibergen in het bijzonder.
Bij de tentoonstelling van de missaalrest op 10 september 29016 is een doorlopende diavoorstelling gemaakt. Hierin wordt ingegaan op de achtergronden van het document en de Reformatie tussen 1517 en 1616 in Eibergen in het bijzonder.

De vondst van een missaalrest in het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers verschafte een mooie gelegenheid om iets over de achtergronden van de 16de eeuwse kerkhervorming in Eibergen te vertellen.

2016 was ook het jaar waarin een begin werd gemaakt met de aanleg van de nieuwe N18 ten westen van Eibergen. Hij doorkruist enkele archeologisch waardevolle gebieden in Hupsel en Olden Eibergen. Mogelijk (en eigenlijk ook hopelijk) werpen de opgravingen in Olden Eibergen aan weerszijden van de Berkel een licht op de nog ongeschreven geschiedenis van Eibergen. De nieuwe weg scheert rakelings langs een perceel dat vroeger de naam ‘Kerkhof’ droeg. In januari 2017 zal meer duidelijk worden. De nieuwe weg maakt op veel plaatsen een bruut einde aan de infrastructuur die in wezen in de 19de eeuw met de verdeling van de marken van Hupsel, Olden Eibergen en Mallem is ontstaan en die tot de aanleg nog goed in het landschap zichtbaar was. Ik hoop in de loop van 2017 nog op deze veranderingen terug te komen.

De 'Kastanjefabriek' is eindelijk weer onder de pannen, kerst 2016.
De ‘Kastanjefabriek’ is eindelijk weer onder de pannen, kerst 2016.

In 2017 is het 180 jaar geleden dat Eibergen zijn eerste vaste oeververbinding kreeg met Mallem. De ‘Nieuwe Brug’ (zo heet hij nog steeds) krijgt in 2017 een opvolger als een nieuwe brug over de Berkel in Olden Eibergen wordt gebouwd voor de nieuwe N18. Deze brug, die iets ten westen van de Stokkersbrug wordt gebouwd, ligt in een gebied dat ooit de ‘Markenbrink’ heette. De mark van Olden Eibergen heeft dit perceel in het Berkeldal steeds onverdeeld gelaten, want de pachtopbrengst werd gebruikt voor het onderhoud van de Stokkersbrug (die een markenbrug was)  en weg naar Neede,  en, in een verder terugliggend verleden, voor het onderhoud van het Oldeneibergse aandeel in de ‘glinde’ of kerkhofmuur rondom de Eibergse kerk. De bouw van de ‘Nieuwe Brug’ had alles te maken met de komst van textielfabrikant J.B.P. Bouquié naar Eibergen. Die vestigde zijn fabriek aan de noordzijde van de Berkel op een perceel veldgrond van de mark van Mallem. Die fabriek staat er nog steeds en is, althans wat het buitenmuurwerk betreft, grotendeels ongewijzigd gebleven. Misschien is deze fabriek nog wel het enige textielmonument in Oost-Nederland uit de pionierstijd van de textielindustrialisatie in de Noordelijke Nederlanden na de afscheiding van België in 1830. Momenteel wordt de ‘Mallemse fabriek’, ‘Kastanjefabriek’, ‘fabriek van Bouquié’ of ‘Gemavo’ verbouwd tot hotel. Het belooft een fraai visitekaartje voor Eibergen te worden.

De ‘Nieuwe Brug’ bij Eibergen werd in december 1837 zwaar op de proef gesteld bij één van de grootste overstromingen van de Berkel, waardoor de brug bijna wegspoelde. Deze brug is overigens het begin geweest van de latere N18. In de jaren ’50 van de 19de eeuw werd de grote weg van Groenlo door Eibergen (Groenloschestraat/Hagemanstraat) aangelegd. Eibergen kreeg zijn eerste rondweg in de jaren ’30 van de 20ste eeuw: de huidige burgemeester Wilhelmweg.

Jarenlang hing dit bord bij de collectie mircofilms in de Borculose Bibliotheek in het Hof aldaar.
Jarenlang hing dit bord bij de collectie mircofilms in de Borculose Bibliotheek in het Hof aldaar.

Tenslotte werd de opheffing van de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo eindelijk een feit. Bestuurlijk liep het al langer moeizaam, terwijl anderzijds veel bronnen inmiddels gedigitaliseerd zijn en via websites beschikbaar zijn gekomen. Een belangrijk doel, het nader toegankelijk maken van de oud-rechterlijke archieven van Stad en Heerlijkheid is ook grotendeels gehaald. De indexen staan op deze website en zijn inmiddels ook aan het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers beschikbaar gesteld. Zo af en toe zal er via deze site nog een nieuwe index aan toegevoegd worden. De collectie microfilms wordt ondergebracht bij de Historische Vereniging Borculo, nadat daartoe overleg is geweest met de vier gemeentelijke heemkundekringen. Het archief van de SSHB is ondergebracht bij het Erfgoedcentrum.

De auteur van dit blog/website op het (voormalige) bouwland de 'Heugte', het land aan de Leugemorsweg in Olden Eibergen, voor het al uitgegraven tracé van de nieuwe N18.
De auteur van dit blog/website op het (voormalige) bouwland de ‘Heugte’, het land aan de Leugemorsweg in Olden Eibergen, voor het al uitgegraven tracé van de nieuwe N18.

Rest mij mijn volgers en passanten een fijne jaarwisseling te wensen en alle goeds voor het nieuwe jaar 2017,

Bennie te Vaarwerk

 

 

Please follow and like us:

Bij de 400ste verjaardag van de incorporatie van Borculo in Gelderland – I

Op 14 september 1665, nu bijna 350 jaar geleden, verklaarde vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen de Republiek der Verenigde Nederlanden de oorlog

Het beeld van vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen op zijn graf in de Münsterse Domkerk
Het beeld van vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen op zijn graf in de Münsterse Domkerk

Eén van zijn hoofddoelen was het herstel van de Münsterse gezag over stad en heerlijkheid Borculo en de (inmiddels verzelfstandigde) heerlijkheid Lichtenvoorde, waarvan hij meende dat die hem ten onrechte in 1615 waren ontnomen. Op 20 december van dat laatstgenoemde jaar had namelijk het Hof van Gelderland uitspraak gedaan in het proces dat door graaf Joost van Limburg Stirum voor dat Hof aangespannen was tegen de vorstbisschop van Münster. De graaf wilde bereiken dat hem eindelijk de heerlijkheid Borculo werd toegewezen. Dat lukte. Die historisch uitermate belangrijke uitspraak van het Gelderse Hof, verjaart in 2015 voor de 400ste maal en er is daarom alle reden om dit jaar en ook het volgende jaar stil te staan bij beide gebeurtenissen die oorzakelijk met elkaar in verband staan.[1]

Een langdurige en ingewikkelde kwestie
Zowel uit de bronnen als ook uit de eigentijdse en recente literatuur is zaak niet eenvoudig te begrijpen. In de oudere literatuur is er vaak sprake van een uitgesproken pro-Gelders of pro-Münsters standpunt, dat niet zelden ingegeven werd door de godsdienst (rooms-katholiek of gereformeerd) die de schrijver aanhing. Zeker op lokaal niveau was dat het geval. Twee namen illustreren dat: H.W. Heuvel en (vooral) Hendrik Odink, die beiden het proces voor het Hof vooral bezagen vanuit het oogpunt van de invoering van de gereformeerde religie in de heerlijkheid.[2]

In de beoordeling van de gang van zaken strijden de juridische en de politieke kanten met elkaar. De laatste is uiteindelijk doorslaggevend geworden. Juridisch was vooral de aard van het leen Borculo van belang en daarmee de vraag of de graaf van Limburg Stirum in Borculo op kon volgen. Münster volhardde in het standpunt dat Borculo een manleen was, en dus alleen in de mannelijke lijn kon vererven.[3] De beide erfgenamen bestreden dat terecht.

Die erfgenamen waren gravin Ermgard van Wisch en graaf Rudolf von Diepholz. Beiden stamden in de vrouwelijke lijn af van een dochter Van Bronckhorst. Gravin Ermgard was bovendien nader verwant: haar moeder, Walburgh van den Bergh, was een zuster van gravin Mette van den Bergh, de moeder van de overleden graaf Joost. In de juridische strijd speelde verder een rol welke goederen nu exact hoorden bij het leen Borculo en welke door de heer van Borculo buiten dat leenverband waren aangekocht of op persoonlijke titel waren gebouwd en daardoor allodiale of (leenband)vrije goederen waren of als zodanig werden beschouwd. Wat hoorde er wel en niet bij? Deze vraag speelde bijvoorbeeld rond Lichtenvoorde en de leengoederen die door het huwelijk van Otto van Bronckhorst met Agnes van Solms (1418) in het bezit van het Huis Bronckhorst waren gekomen.[4]

Op het vlak tussen recht en politiek speelde in de zestiende eeuw ook de vraag hoe ‘Münsters’ of ‘Gelders’ de heerlijkheid Borculo nu eigenlijk was (geweest), toegespitst op de vraag onder wiens soevereiniteit[5] Borculo viel of in wiens gebied het lag. Talloze ‘bewijsstukken’ pro en contra vlogen bij alle processen over de tafel.[6]

Het werkte hierbij niet mee, zeker niet vanuit Gelders oogpunt, dat er geen consequent onderscheid werd gemaakt tussen de achtereenvolgende heren van Borculo uit het Huis Bronckhorst in hun respectievelijke hoedanigheid als heer (vanaf 1533 graaf) van Bronckhorst en als heer van Borculo. Münster was hierin meer consequent en leek daardoor de Gelderse argumenten gemakkelijker te kunnen weerleggen.

Toen de gravin-weduwe, Maria von Hoya, in november 1579 overleed, nam Münster de gehele heerlijkheid onmiddellijk in bezit, niets uitgezonderd, ook de allodiale bezittingen niet. Dat leidde tot een nieuwe complicatie, omdat de erfgenamen meenden, dat deze allodiale goederen geen onderdeel waren of ooit waren geweest van het leen Borculo, dat alleen bestond uit slot, stad (meestal wigbold genoemd) en jurisdictie Borculo. Münster maakte dat onderscheid niet, omdat het zou betekenen dat het moest toegeven dat het meer in bezit had genomen dan het rechtens toekwam. Dat is mogelijk een reden, waarom de vorstbisschoppen in respectievelijk in 1614 en 1644 niet zijn ingegaan op een opening, hen geboden door respectievelijk graaf Joost van Limburg Stirum en diens kleinzoon, graaf Otto, om hen alsnog te belenen met slot, stad en heerlijkheid Borculo.[7]

Eerste bladzijde van het antwoord van graaf Joost van Limburg Stirum aan de Duitse keizer over het 'Borculose' proces voor het Hof van Gelderland, 2 april 1614 (NA, Coll. v. Limburg Stirum, inv.nr. LN240)
Eerste bladzijde van het antwoord van graaf Joost van Limburg Stirum aan de Duitse keizer over het ‘Borculose’ proces voor het Hof van Gelderland, 2 april 1614 (NA, Coll. v. Limburg Stirum, inv.nr. LN240)

Nog ingewikkelder werd het, toen graaf Joost van Limburg Stirum de zaak tegen Münster in 1611 voorlegde aan het Hof van Gelderland. Hij oefende stevige druk op het Hof uit. Op 24 september 1615 verzocht hij hen dringend ‘umb in meiner Borckloischen sache sententie diffinitiff zu haben’. Het Keizerlijk Hof in Wenen en het Rijkskamergericht in Speyer dreigden hem ‘mit sehr scherffen mandaten und poene’.[8] Hij vreesde te bezwijken onder de processen, die zouden leiden ‘tot gensliche ruine meines hauses Limburg und Bronchorst’. Op 20 december 1615 kreeg hij zijn zin: het Hof deed uitspraak deed ten gunste van graaf Joost en aarzelde vervolgens niet om met militaire middelen de Heerlijkheid Borculo-Lichtenvoorde voor hem in te nemen. Münster heeft de bevoegdheid van het Gelderse Hof in de zaak van de Münsterse heerlijkheid nooit erkend (en mocht dat ook niet van de Duitse keizer, zoals het ‘Borculo’ verboden werd zich in te laten met het Keizerlijk Kamergericht te Speyer, dat de zaak al sinds 1570 in behandeling had). Dat het Gelderse Hof vervolgens ook de graaf Van Limburg Stirum als heer van Borculo nog een schadevergoeding toekende van ruim 500.000 gulden wegens gederfde inkomsten uit de allodiale door Münster in bezit genomen goederen vanaf 1581[9], maakte de zaak nog erger. Münster heeft hieraan natuurlijk niet toegegeven. De patstelling was daarmee welhaast compleet.

Politiek speelde vooral de nationale en zelfs de steeds wisselende internationale constellatie een rol. De Staten-Generaal hadden Gelderland in het proces van graaf Joost tegen Munster gesteund, maar daarin ging vooral ook een flink stuk eigenbelang schuil: de (juridische) strijd om Borculo vond namelijk plaats tijdens het Twaalfjarig Bestand, waarin de Gelderse stad Groenlo door de Spanjaarden bezet werd gehouden. Deze stad lag namelijk als Spaans-Gelderse enclave in de neutrale heerlijkheid Borculo-Lichtenvoorde. Om te preluderen op een toekomstige eenheid van gebied, was het wel handig om de omringende heerlijkheid Borculo-Lichtenvoorde alvast onder Gelders gezag te brengen. Het gebied van de heerlijkheid was een (ondergeschikt) onderdeel van de sluiting van de Tuin der Republiek. Graaf Joost van Limburg Stirum had het proces voor het Gelderse Hof gebracht, omdat hij meende dat Borculo in Gelderland lag.[10] Tegelijkertijd hield hij de deur naar Münster open, door (in 1614) te verklaren: ‘Bin aber keinesweges der meinungh und intention die feudallgerechticheit der herschafft Borckelöe dem Stifft Münster und dem Heiligen Romischen Reichs zu entziehen’.

De handtekening van graaf Joost van Limburg Stirum onder zijn brief aan de Duitse keizer, 2 april 1614. Het zal duidelijk zijn, dat de graaf in deze brief nergens de titel 'heer van Borculo' gebruikt. Het hing er maar vanaf aan wie zijn brief gericht was. (NA, Coll. v. Limburg Stirum, inv.nr. LN240
De handtekening van graaf Joost van Limburg Stirum onder zijn brief aan de Duitse keizer, 2 april 1614. Het zal duidelijk zijn, dat de graaf in deze brief nergens de titel ‘heer van Borculo’ gebruikt. Het hing er maar vanaf aan wie zijn brief gericht was. (NA, Coll. v. Limburg Stirum, inv.nr. LN240

Het historische oordeel
De Nijmeegse rechtsgeleerde P.L. Nève die promoveerde op een onderzoek naar het Rijkskamergericht en de Nederlanden, oordeelde in 1972[11]:

‘Hoewel de gegevens niet alle één kant op wijzen, meen ik toch, dat Borculo had dienen te eindigen als deel van het Stift Munster, en derhalve als deel van de Westfaalse Kreits’.

In 1904 was H.G. Harkema al tot een soortgelijke conclusie gekomen:[12]

‘Over ’t algemeen vind ik, dat de aanspraken van Munster beter gemotiveerd waren dan die van de graven van Limburg-Styrum’.

Dat laatste oordeel kan ik onderschrijven, maar uiteindelijk is de politiek en in het verlengde daarvan, de economische en militaire macht, doorslaggevend geworden. Daarover meer in volgende blogs.

Pas na het einde van de Dertigjarige Oorlog (1648), toen de rust langzamerhand terugkeerde, maar vooral na het aantreden van de in het Münsterland geboren vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen in 1650, werd alles anders. Die maakte die zijn bedoelingen snel duidelijk. Daarover een volgend blog.

Eindnoten

[1] Het was oorspronkelijk mijn bedoeling om voor het Jaarboek Achterhoek en Liemers een artikel te schrijven over wat in de historische literatuur de ‘Kwestie Borculo’ is gaan heten. Maar de overstelpende hoeveelheid bronmateriaal – archieven en literatuur – maakten het nagenoeg onmogelijk om in een kort tijdsbestek alle onderdelen van deze wel zeer complexe zaak te bespreken en voor een groter publiek toegankelijk te maken. Via mijn website www.heerlijkheidborculo.nl kan ik op gezette tijden wat dieper inzoomen op al of niet relevante aspecten van deze ook langdurige zaak.

[2] H.W. Heuvel, ‘in gedenkdag van drie eeuwen’ (1915), in: idem, Nagelaten werk (Enschede 1973), blz. 77-78; H. Odink, ‘Een historische gedenkdag’ (1966), in: idem, Land en volk van de Achterhoek, (Enschede 1971), blz. 124-129.

[3] In 1309 gaf de Münsterse bisschop Konrad een privilege uit, waarin hij o.a. toezegde, dat lenen van de Munsterse kerk, mangoed of dienstmangoed, zowel op dochters als zonen konden vererven als er geen mannelijke erfgenamen van het leen aanwezig waren. De bepalingen werden vernieuwd in 1424 en 1426 en sindsdien gehandhaafd tot in de achttiende eeuw. (Theuerkauf, Land- und Lehnswesen vom 14. Bis zum 16. Jahrhundert (Köln, 1961), blz. 89 en blz. 13, voetnoot 57 (tekst uit 1426)).

[4] Daarom bevindt zich in de processtukken voor het Hof van Gelderland ook een afschrift van een leenregister van de heer van Solms, als heer van Ottenstein.

[5] In de bronnen wordt meestal het woord ‘superioriteit’ gebruikt. Aspecten daarvan waren: belastingheffing (inclusief de heffing van oorlogscontributies), de munt, deelname aan vergaderingen van ridderschap en steden (de gewestelijke staten), het houden van een garnizoen, het verbond uit 1469 tussen de hertog van Gelre en de heer van Borculo, waarbij de laatstgenoemde zijn kastelen en steden openstelde voor troepen van de hertog, regelgeving (landrecht, placaten) en de rechtspraak in hoger beroep. Deze ‘soevereiniteit’ moet onderscheiden worden van de jurisdictie, de rechtsmacht, die samen met het kasteel een nagenoeg onomstreden onderdeel vormde van het Münsterse leen Borculo.

[6] Op 12 februari 1476 verklaren Johan Mensynck, Johan van der Hoeve, Engelbert Vyrdach, Johan van Bulo, Sweder de Rode van Hekeren, “ryttermate mannen” van Gijsbert van Bronckhorst, heer van Borculo, en Johan van Mengeden, Albert Vysscher, Roloff Bernyssen, Hinrick van Collen en Arnt van Trier, “borgeren en ingesetenen to Borclo (…) dattet landt und herscappye van Borclo nyet en hoert totten hertochdom van Gelre offt grefscap van Zutphen en ock nywerlde [nooit] dar to gehort en hefft”. Gedrukt: J.H. de Meter, “Een onuitgegeven oorkonde betreffende de leenroerigheid van Borculo”, in: Verslagen en Mededelingen van de Vereeniging tot uitgave der bronnen van het oud-vaderlandsche recht, Nieuwe Reeks XI, 2 (1956), 415-422.

[7] Nationaal Archief, Collectie van Limburg Stirum, inv.nr. LN 240.

[8] Gelders Archief, Archief Hof, Brieven van en aan het Kwartier van Zutphen, 1614-1615

[9] Gelders Archief, Hof, civiele processen, inv.nr. 6290.

[10] Nationaal Archief, Collectie van Limburg Stirum, inv.nr. LN 240, Brief van graaf Joost aan de Duitse keizer d.d. 2 april 1614, waarin hij tot tweemaal toe schrijft dat heerlijkheid, ambt en goederen gelegen zijn in het vorstendom Geldern en graafschap Zutphen.

[11]  P.L. Nève, Het Rijkskamergerecht en de Nederlanden. Competentie – Territoir – Archieven (Assen 1972), blz. 284.

[12] H.G. Harkema, ‘De betrekkingen van het bisdom Munster tot de Nedelanden, inzonderheid tot Gelderland, tot aan de Vrede van Kleef, 18 april 1666’, in: Bijdragen en Mededelingen ‘Gelre’, VII (1904), blz. 30, voetnoot 1.

Please follow and like us:

Kalenderproblemen bij de datering van de inbezitname van Borculo en Lichtenvoorde in 1615-1616

'Borckeloe' op de rivierenkaart van Oost-Nederland, laatste kwart 16de eeuw. (SAD, archief Schipbeek)
‘Borckeloe’ op de rivierenkaart van Oost-Nederland, laatste kwart 16de eeuw. (SAD, archief Schipbeek)

Nu het gebied van de voormalige Heerlijkheid Borculo-Lichtenvoorde kan beginnen aan een jubileumjaar bij gelegenheid van de herdenking van de 400ste verjaardag van het vonnis van het Hof van Gelre en Zutphen, waarbij de Heerlijkheid werd toegewezen aan graaf Joost van Limburg en Bronckhorst, zijn er eerst enkele onduidelijkheden op te lossen in verband met de precieze datering van de achtereenvolgende te herdenken gebeurtenissen. Het belang van het vonnis ligt vooral in het feit dat (achteraf gezien) het gebied van de Heerlijkheid Borculo daardoor definitief ‘Nederlands’ werd. Bij de omrekening van de kalenderdata ga ik uit van de datums die graaf Joost genoteerd heeft in zijn dagboek, dat loopt over de jaren 1609-1620. Het werd in 1956 gepubliceerd. De onderstaande tabel is op gegevens uit dit gedrukte dagboek gebaseerd.[1]

Datum dagboekitems Dagboekitems over het vonnis van 1615 en de inname van Lichtenvoorde en Borculo Nieuwe stijl ( = huidige kalender
1615, dec. 20 ‘stilo antiquo ist myr das urthel zuerkant angehendet die Herrschafft Borckelhoe (Lichtenfort cum suis)’ 1615, dec. 30
1615, dec. 27[2] ‘haben dy heren des haves von Gelderlandt die gedeputierden und die burgmeisters der Grafschafft Zutphen Lichtefort ingenhomen und mir in possession gestelt’ 1616, jan. 6 [3]
1615, dec. 28 ‘possessionem accipirt in der herschafft Borkelhoe auff dem platten lande, als nemptlich Eibergen, Nede, Geistern, Gelseler unnd in dem stetgen der hern patenten angeschlagen’. 1616, jan. 7
1616,  febr. 24[4] ‘ingnhomen Borkelhoe’ 1616, maart 5

 

Bij de genoemde data moet rekening gehouden dat graaf Joost de ‘kalender oude stijl, d.w.z. die van vóór de kalenderhervorming van het Concilie van Trente, hanteerde. Die katholieke kalenderhervorming werd door de lutherse graaf Joost en door het calvinistische gewest Gelderland niet meteen overgenomen. Gelderland (en daarmee ook de Heerlijkheid Borculo) ging pas in 1700 over tot de nieuwe  Gregoriaanse kalender.  Het Concilie van Trente (1545-1563) paste de kalender aan, omdat die in de loop van de eeuwen achter was gaan lopen. Tot 1 maart 1700 moesten bij de oude kalender 10 dagen worden opgeteld. Anders gezegd, dat aantal dagen werd eenvoudigweg overgeslagen. Maar soms werden beide data genoteerd. Dat gebeurde dan door middel van een breuk (zie afb.). Het Concilie besloot de Juliaanse kalender (sinds de aanpassing ook wel ‘oude stijl’, ‘stilo vetere’ en ‘stilo antiquo’ genoemd) te vervangen door de Gregoriaanse kalender, die daarom ook wel aangeduid werd als ‘nieuwe stijl’, ‘stilo novo’, ‘stilo reformato’. Het was paus Gregorius XIII, die de kalender in Italië in 1582 invoerde, waardoor op 4 oktober 1582 meteen 15 oktober 1582 volgde. Het bisdom Münster, en daarmee ook Borculo, dat sinds 1579 onder rechtstreeks Münsters bestuur stond, voerde in 1583 de Gregoriaanse kalender in.  Op de 17de november volgde de 28ste november1583.[5] Dat ook het stadsbestuur van Borculo de nieuwe stijl hanteerde, blijkt o.a. uit de vermelding in het stadslegerboek van de brand van 5 september 1590, ‘stylo reformato’, waarbij de hele stad, met uitzondering van enkele huizen in het ‘vurstedeken’ Borculo in vlammen opging.

Fragment uit een Borculoos pachtcontract uit 1640. Boven de streep de ‘nieuwe kalenderstijl’, eronder de ‘oude stijl’
Fragment uit een Borculoos pachtcontract uit 1640. Boven de streep de ‘nieuwe kalenderstijl’, eronder de ‘oude stijl’

Met de overgang naar Zutphen/Gelderland, viel Borculo weer terug op de oude kalender, die door de nieuwe heer en lutherse graaf Joost van Limburg en Bronckhorst toch al gebruikt werd. Het kon in onze contreien dus regelmatig voorkomen, dat een brief van een inwoner van het katholieke vorstbisdom Münster, dat de kalenderhervorming in 1582 had doorgevoerd, nog vóór de briefdatum aankwam in het protestantse Gelderland, dat tot en met 30 juni 1700 nog de Juliaanse kalender gebruikte. Op 1 juli oude stijl volgde in Gelderland 12 juli nieuwe stijl, een verschil inmiddels van 11 dagen. Het Hof van Gelre en Zutphen stelde op 24 mei 1700 het volgende uitvoeringsbesluit vast:

‘De Heeren raden en gesanten van de churfursten, fursten en heren van de Augsburgse Confessie te Regenburg vergadert, H.Ho.Mog. verzoekende, dat desen staat den verbeterden Juliaansen Stijl mede aanneemen en te introduceeren, gelijk haare heeren principalen, door het [weg]laten van elf dagen na den 18 februarii van den ouden stijl deses jaers reets gedaan hadden, gelijk ook de koning van Denemarken, zoo als bij ’t Hoff namens de heeren staten een placaat geëmaneert, waarbij den nieuwen stijl word geïntroduceert, zullende aanvang nemen met den eersten julii ouden stijl aanstaande, wanneer men schrijven zal den twaalfden, zonder dat hiermede verkort zullen worden eenige praescriptien van actien, verwinning, tinsen, renten, huuren van huysen, landen ende dienstboden, obligatien, wisselbrieven etc., ook niet landsmiddelen die met de maand of week betaalt worden, die alle ten vollen zullen moeten worden voldaan, evenals of van de maand julii geen 11 dagen waren gekort, zullen na ’t eyndigen van dit jaer, alle termijnen van betaling gereekent worden op dezelve wijse als tevoren en alsof dese verkorting nooit geschied waren, 24 maii 1700.’

De nieuwe kalender werd niet de Gregoriaanse genoemd, want dat zou een protestantse erkenning zijn van het gelijk van het Concilie van Trente (1545-1563)  en paus Gregorius XIII (1582), dat tot deze kalenderhervorming had besloten, maar eufemistisch ‘den verbeterden Juliaanschen Stijl’, genoemd naar Julius Caesar. De Juliaanse Stijl of kalender is de kalender oude stijl en wordt tot op de dag van vandaag nog in Russisch-orthodoxe kringen gebruikt.

Herdenkingsdata 2015-2016
De omrekening betekent, dat de herdenking van de 400ste verjaardag van het vonnis van het Gelderse Hof nog net in 2015 gevierd kan worden, nl. op 30 december. De herdenking van de inbezitname, respectievelijk inname van achtereenvolgens Lichtenvoorde, het platteland van de Heerlijkheid Borculo en de stad Borculo, kunnen dan plaatsvinden op 6 januari, 7 januari en 5 april 2016.

Bennie te Vaarwerk

[1] Günter Aders, ‘Das Tagebuch des Grafen Jobst von Limburg-Styrum († 1621)’, in: Mühlheimer Jahrbuch 1956, blz. 21-26.

[2] Deze datum wordt ook gehanteerd door A.P. van Schilfgaarde, De graven van Limburg Stirum in Gelderland en de geschiedenis hunner bezittingen, eerste stuk (Assen 1961), blz 132.

[3] Th.A.M. Thielen, Geschiedenis van de enclave Groenlo-Lichtenvoorde (Zutphen 1966), blz. 69 noemt 10 januari 1616 als datum waarop ‘troepen van de Staten van Gelder onder leiding van kapitein Kreijnck Lichtenvoorde bezetten voor Joost van Limburg Stirum’. Hij baseert daarbij zich op publicaties van Floris der Kinderen en W. Baudartius. Die datum is dus niet juist berekend.

[4] Thielen, a.w., p.69, noemt hier 25 februari 1616. Hij was niet op de hoogte van de afzonderlijke aanvaarding van de heerlijkheid over het platteland van Borculo op 28 december 1615 o.s.

[5] Voor de berekening van oude stijl naar nieuwe stijl, zie o.a. deze link: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gregoriaanse_kalender. En natuurlijk het aloude Taschenbuch der Zeitrechnung des deutschen Mittelalters und der Neuzeit van Hermann Grotefend (Hannover 1991, 13e druk)

 

Please follow and like us:

20 december 1615: de Heerlijkheid Borculo werd ‘Nederlands’ gebied

Het omslag van het proces tussen 'Joost grave van Limburgh ende Bronckhorst' contra 'de heere Bisschop van Munster'. 'Sententie den 20 decembris 1615'. (Gelders Archief, Hof van Gelre, 0124, inv.nr. 5060-14)
Het omslag van het proces tussen ‘Joost grave van Limburgh ende Bronckhorst’ contra ‘de heere Bisschop van Munster’. ‘Sententie den 20 decembris 1615’. (Gelders Archief, Hof van Gelre, 0124, inv.nr. 5060-14)

Grote gebeurtenissen werpen hun schaduw vooruit: op 20 december 2015 kunnen de inwoners van het gebied van de voormalige Heerlijkheid Borculo en het Ambt Lichtenvoorde herdenken, dat hun voorouders 400 jaar geleden ‘Nederlands’ grondgebied werd. ‘Nederlands’, omdat in de toenmalige staatkundige constellatie het gebied de facto onder de soevereiniteit van het gewest of provincie Gelderland kwam te staan, die een van de zeven gewesten was waaruit de nog jonge Republiek der Zeven Verenigde Provinciën (of ‘Nederlanden’)bestond.
De Heerlijkheid Borculo, die in 1615 de kerspelen Eibergen, Neede, Geesteren, Borculo en Groenlo (met uitzondering van de stad en het schependom) omvatte, was tot dan toe een leen van de vorstbisschop en het kapittel van de Domkerk van Münster. Na de dood van gravin-weduwe Maria von Hoya, vrouwe van Borculo, in 1579, had Münster het bestuur over de Heerlijkheid in eigen hand genomen. Borculo zou zich ontwikkeld hebben tot een Münsters ambt (bestuursdistrict), als de geschiedenis daar geen stokje voor gestoken zou hebben. Na de dood van de laatste heer van Borculo uit het Huis Bronckhorst, graaf Joost van Bronckhorst, in 1553, kreeg zijn hierboven genoemde weduwe het vruchtgebruik van de Heerlijkheid, onder erkenning van de Münsterse rechten. Graaf Joost van Bronckhorst had geen naam van een erfgenaam ingevuld in zijn testament. Er kwamen dan ook enkele partijen die zichzelf tot erfgenaam van het Borculose deel van de omvangrijke Bronckhorster erfenis verklaarden, waaronder de graaf van Diepholz en de grafelijke familie Van Limburg Stirum. Münster meende dat Borculo een leen was, dat alleen in de mannelijke lijn kon vererven. De ‘erfgenamen’ bestreden dat. Vanaf 1553 vonden dan ook met enige regelmaat processen plaats, tot voor het hoogste Duitse gericht aan toe, het Rijkskamergericht. Daarmee was de ‘kwestie Borculo’ geboren. Het was dus niet het leenheerschap van de vorstbisschop  dat door de erfgenamen bestreden werd, maar de opvolging in Borculo. De oude en bewezen leenverhouding was voor Münster een belangrijke reden om het zo belangrijke vonnis van het Hof van Gelre en Zutphen op 20 december 1615 niet te erkennen. Het Hof was niet bevoegd over een Münsterse heerlijkheid te beschikken. Het proces tegen de keurvorst van Keulen als bisschop van Münster was voor het Hof aangespannen door graaf Joost van Limburg Stirum. Het Hof wees de Heerlijkheid Borculo toe aan de eiser. Münster ontruimde Lichtenvoorde en Borculo echter niet. Daarom was een militaire expeditie nodig, die achtereenvolgens Lichtenvoorde (eind december 1615 volgens de Gelderse kalender of 10 januari ‘nieuwe stijl’ 1616), en Borculo op 25 februari 1616 met enig geweld in bezit nam, waarna graaf Joost zich  kon laten inhuldigen in Lichtenvoorde en Borculo. Bij het beleg van het kasteel Borculo vielen nog enige slachtoffers. Het vonnis en het gevolg ervan wordt soms wel de ‘reductie’ van Borculo genoemd, letterlijk ‘terugvoering’ naar de oude verhoudingen. Eigenlijk is het een onjuiste uitleg, omdat Borculo voor 1616 nooit Gelders is geweest.

Het eerste blad van de inventaris van voor het proces voor het Hof van Gelre en Zutphen overgelegde stukken. (Gelders Archief, Archief Hof, 0124, inv.nr. 5060-14)
Het eerste blad van de inventaris van voor het proces voor het Hof van Gelre en Zutphen overgelegde stukken. (Gelders Archief, Archief Hof, 0124, inv.nr. 5060-14)

In de lokale historische literatuur heeft men in het verleden nauwelijks stilgestaan bij dit, in het licht van het verloop van de latere Duitse geschiedenis, zo belangrijke vonnis. H.W. Heuvel en Hendrik Odink, meester en leerling, wijdden respectievelijk onder de titels ‘Een gedenkdag van drie eeuwen’ (1915) en ‘Een historische gedenkdag’ (1966) korte artikelen aan de overgang van de Heerlijkheid Borculo van Münster naar Gelderland.  Maar de meeste aandacht ging uit naar één van de gevolgen ervan, namelijk de hervorming van de kerken in Borculo in calvinistische zin. Voor de protestantse kerken in de Heerlijkheid is er eerst een bijzonder en lokaal jubileum in 1616 vóórdat men meer algemeen algemeen de kerkhervorming van Luther herdenkt (1517-2017).

In het komende (lange jaar, te rekenen tot en met februari 2016) zal ik af en toe artikelen op deze website en dit blog publiceren die deze belangrijke gebeurtenis aan de vergetelheid moeten ontrukken.

Bennie te Vaarwerk

Please follow and like us:

De erbarmelijke toestand van het oud-rechterlijk archief van Stad en Heerlijkheid Borculo

Het wapen van Henricus van Borculo, afgebeeld in de Heraut Gelre. Dit wapen was afgebeeld op een banier dat deze heer van Borculo bij zich droeg als bondgenoot van de graaf van Gelre in de Slag bij Worringen in 1299
Het wapen van Henricus van Borculo, afgebeeld in de Heraut Gelre. Dit wapen was afgebeeld op een banier dat deze heer van Borculo bij zich droeg als bondgenoot van de graaf van Gelre in de Slag bij Worringen in 1299

Gelderse archiefdiensten, die over een goedgekeurde archiefbewaarplaats beschikken, kunnen in aanmerking komen voor overname van sommige in het Gelders Archief berustende archieven. Dan kun je denken aan de huwelijksbijlagen, de notariële archieven en de oud-rechterlijke archieven van vóór 1811. Dat zijn bovendien veel door stamboomonderzoekers en historici geraadpleegde archieven. Tot maart 1811 vervulden de rechtbanken ten plattelande, waaronder die te Borculo en Lichtenvoorde, ook de functie van notaris. Dus overdrachten van onroerend goed, testamenten, voogdijzaken e.d. kan men in de oud-rechterlijke archieven vinden.
Een andere voorwaarde voor overdracht aan een lokale of regionale archiefdienst is dat de archieven in die staat worden overgenomen waarin ze aangeboden worden. Aan dit laatste ligt een besluit van een vroegere algemeen rijksarchivaris ten grondslag. Dat kun je betreuren, omdat die daarmee een van de grondbeginselen van het archiefbestel in Nederland aan de kant schoof, namelijk dat overgebrachte archieven openbaar zijn en dus aan het publiek ter inzage gegeven moeten kunnen worden. Dé voorwaarde daartoe is de archiefwettelijke verplichting van overheden hun voor blijvende bewaring in aanmerking komende archieven ‘in goede, geordende en toegankelijke staat’ over te brengen naar de archiefbewaarplaats. Het kan niet zo zijn dat in een archiefbewaarplaats bescheiden berusten die, om wat voor reden dan ook, gedurende lange tijd niet toegankelijk zijn.  Daarom is het initiatief van het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL) te prijzen om aandacht te vragen voor enkele overgenomen archieven die in een slechte materiële toestand verkeren.

Het ECAL heeft o.a. een aantal oud-rechterlijke archieven van het Gelders Archief overgenomen, waaronder die van de heerlijkheden Borculo en Lichtenvoorde. Vooral het oud-rechterlijk archief van Borculo verkeert voor een niet onaanzienlijk deel in een erbarmelijke materiële toestand. Daardoor kon het in het verleden grotendeels niet door het Gelders Archief ter inzage worden gegeven aan het publiek, en nu ook niet door het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers. Dat wil er eindelijk werk van maken.

Rijksarchief in Gelderland, nu Gelders Archief. Aanduiding op het omslag van een procesdossier.
Rijksarchief in Gelderland, nu Gelders Archief. Aanduiding op het omslag van een procesdossier.

Omvang en lotgevallen van het Borculose archief
Bij het oud-rechterlijk archief van Borculo gaat het om een bestand van 50,5 strekkende meter. Het archief is geïnventariseerd door mr. J.P.W.A. Smit. ‘Naar schatting’,  schreef hij in 1912, ‘is van dit archief ruim de helft verloren gegaan’ [!] Daaraan zijn de slechte bewaarcondities debet geweest, zoals hij berichtte:[1]

‘Omstreeks het jaar 1733 werd door den secretaris-Iandschrijver G. Vatebender eene nieuwe regeling getroffen. De meeste stukken ouder dan dien datum en de oudere protocollen werden uit de secretarie verwijderd en blijkbaar in eene zeer ongeschikte plaats, naar vermeld eene kamer in de kerk, opgeborgen (Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven 1884, pag. 20). Van daar, dat men later opsomde: papieren, die zoodanig vergaan waren, dat nog slechts gedeelten van regels zichtbaar waren en die zelfs niet konden lijden, dat men ze ter hand nam; andere, die zoodanig door de wormen vernield waren, dat de inhoud onleesbaar was, terwijl de bladen van vele akten reeds hun verband verloren hadden (eenvoudige notitie in een rekenboekje bij de boedel papieren).
Dit oudere gedeelte van het archief werd in het jaar 1884 door den rijksarchivaris op den zolder van het toenmalige stadhuis in onbeschrijfelijken toestand gevonden en door hem naar het depot te Arnhem overgebracht (Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven, ibid.).

Het eerste blad van inventarisnummer 115-2, procesdossier in de zaak tussen Berent toe Nover contra Israël Rothuys, 1651.
Het eerste blad van inventarisnummer 115-2, procesdossier in de zaak tussen Berent toe Nover contra Israël Rothuys, 1651.

De archieven, die na 1733 werden gevormd, bleven met enkele oudere stukken ter secretarie bewaard, waar, ingevolge besluit van den gouverneur der provincie van den 13en April 1817 no 2865/7, 1e afdeeling, in dat jaar van 1 tot 4 Juli een inventaris werd opgemaakt. Eerst later zijn zij naar de arrondissementsrechtbank te Zutphen overgebracht, vanwaar zij in het jaar 1888 door den rijksarchivaris in Gelderland zijn overgenomen (Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven, 1888, pag. 80).
In overeenstemming met de lotgevallen van beide gedeelten was ook de staat van conservatie verschillend. Het oudste gedeelte heeft zwaar van vocht en ongedierte geleden en de volgorde was tot op de enkele stukken volledig verstoord, maar bovendien waren ook fragmenten van vele stukken door het geheele archief verspreid. Naar schatting is van dit archief ruim de helft verloren gegaan.
De stukken van het nieuwere gedeelte hadden niets geleden en zijn in 1817 in aansluiting met de vroegere regeling tegen verder verval behoed.’

De inventaris van Smit werd later aangevuld met een nadere toegang op de tot dan toe wel zeer globaal (voornamelijk op jaar) beschreven procesdossiers. De inventaris en de nadere toegangen zijn te vinden op de website van Stad en Heerlijkheid Borculo. In die webinventaris is ook aangegeven welke inventarisnummers door het Gelders Archief niet meer ter inzage werden gegeven.

De slechte materiële toestand was reden om in 1991 de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo op te richten met als doel het op microfilm zetten van alle ‘Borculose’archieven buiten de regio. Een deel van het archief, met name de beter geconserveerde registers van de Borculose gerichten (de ‘gerichtsprotocollen’), was al eerder door de Mormonen op microfilm gezet. Vrijwilligers van de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo hebben in de jaren ’90 van de vorige eeuw vooral de losse en vaak in slechtere toestand verkerende dossiers op microfilm gezet. Na echter het archief gezien te hebben is de vraag of daadwerkelijk alles verfilmd is, resp. verfilmd kon worden. Sommige delen waren vermoedelijk te slecht. De moederfilms (waarvan eventueel digitale opnamen gemaakt kunnen worden) zijn achtergebleven op het Gelders Archief. De genoemde Stichting beschikt over een kopiefilmbestand, maar deze zijn aan slijtage onderhevig. Opnieuw verfilmen is geen optie meer in dit digitale tijdperk. De moederfilms digitaliseren is een optie, maar niet wenselijk, omdat de kwaliteit te wensen overlaat en ze bovendien zwart-wit zijn.

Mede door de microverfilming werd het mogelijk om de niet meer ter inzage zijnde archieven in te zien en er indexen op te maken. Inmiddels is ruim tweederde van de inventarisnummers van het oud-rechterlijk archief van Borculo voorzien van indexen op namen, data, plaatsen, gebeurtenissen e.d.. Deze indexen zijn via de archiefinventaris toegankelijk via de website.

Schade-inventarisatieformulier bij inventarisnummer 115-2
Schade-inventarisatieformulier bij inventarisnummer 115-2

De werkzaamheden van het Erfgoedcentrum
Archiefbeheerder Willem Willemsen is momenteel bezig de afzonderlijke bestanden door te nemen om de materiële toestand zo exact mogelijk te beschrijven. Naar verwachting zal dat karwei in het najaar voltooid worden. Hij doet dat professioneel door gebruik te maken van de schadeatlas van het Nationaal Archief. Hij noteert o.a. het soort schade(schimmel, inktvraat, muizenvraat) en de mate van de schade worden beschreven. Deze arbeidsintensieve methode leidt tot een gedetailleerd beeld van de schade aan de archiefbestanden, waardoor het Erfgoedcentrum t.z.t. betere afwegingen kan maken t.b.v. restauratie, conservering en/of digitalisering en beschikbaarstelling op de studiezaal/internet. Uit de eerste resultaten blijkt al dat sommige door het Gelders Archief niet meer beschikbaar gestelde bestanden toch wel beschikbaar gesteld kunnen worden, maar het omgekeerde komt ook voor. In het najaar zal er veel meer duidelijkheid zijn.

Zulke archieven kun je niet meer ter inzage geven. Restauratie, blad-voor-blad, is noodzakelijk.
Zulke archieven kun je niet meer ter inzage geven. Restauratie, blad-voor-blad, is noodzakelijk.

1615 – 2015: Borculo 400 jaar Nederlands grondgebied 
Restauratie zal waarschijnlijk heel veel geld gaan kosten. Daarom is het te hopen dat er naast gemeentelijke middelen, ook financiële bijdragen komen van inwoners, instellingen en bedrijven uit Berkelland en Oost-Gelre. Volgend jaar, op 20 december 2015,  kunnen de voormalige gemeenten Borculo, Neede, Eibergen en Lichtenvoorde herdenken dat zij 400 jaar Nederlands grondgebied zijn. Dat is het gevolg van het vonnis van het Hof van Gelderland op die datum (oude stijl) in 1615 in de strijd tussen graaf Joost van Limburg Stirum en de vorstbisschop van Münster ten gunste van de eerstgenoemde. En wat is nou mooier dan bij die gelegenheid een belangrijk archief te kunnen tonen, dat na 400 jaar eindelijk ook door de inwoners en ongetwijfeld vele andere belangstellenden ingezien kan worden.

Bennie te Vaarwerk

[1] J.P.W.A. Smit, ‘Inventaris der oude rechterlijke archieven van de stad en de heerlijkheid Borculo’, in: Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven, XXXV (1912), blz.233.

Please follow and like us: