Open Monumentendag in Berkelland en Groenlo 2016

Het was me het Open Monumentendagje wel. Er was veel te beleven en nog meer aangekondigd in Berkelland en omgeving. Dat laatste was voor mij reden om naar Groenlo te gaan, maar de kelders van het voormalige stadhuis bleken op Open Monumentendag (en andere dagen) alleen op afspraak geopend. Ook de Oude Calixtuskerk was gesloten voor individuele bezoekers. Het leek in Groenlo wel Gesloten Monumentendag. Jammer. Op de heenweg over de fietsspoorbaan gereden. Door de komst van de nieuwe N18 wordt deze onder de oude gemeente Eibergen op maar liefst drie plekken doorsneden. Een tocht naar Groenlo zal t.z.t. een langdurige onderneming worden, maar dat geldt straks ook voor zo’n tochtje met  de auto. Misschien moet er tussen beide plaatsen maar een extra glasvezelverbinding aangelegd worden of een dronedienst ingesteld worden. De mais moest hier en daar al gemaaid worden, omdat men deze week begonnen is met de kap van de bomen voor de aanleg van de weg. In de weidelanden tussen Eibergen en Groenlo zijn de piketpaaltjes voor de nieuwe N18 al geplaatst. Over twee jaar is in dit gebied veel definitief geschiedenis.

Dan Berkelland. ’s Morgens werd in Neede de eerste Erfgoedprijs Berkelland uitgereikt aan oud-journalist, Heuvel-, Sluiter- en Zwaluwenkenner Arend Heideman. Zeer verdiend overigens.

In het Museum De Scheper was er een doorlopende belangstelling voor o.a. de tentoongestelde missaalrest, waarover ik al eerder geblogd heb.

Aan het eind van de middag nog even de Kastanjefabriek, de in 1834 door J.P.B. Bouquié in 1834 gebouwde textielfabriek in de Eibergse buurschap Mallem, bezocht, die verbouwd wordt tot hotel. Ik hoop dat het allemaal lukt. Aan het eind van het jaar zit het dak weer dicht. Bij elk bezoek laat de fabriek nog verrassingen zien.

Soms verdwijnen karakteristieke panden geleidelijk uit de tastbare geschiedenis. Het erve Brooks aan de Rekkense Binnenweg behoort tot die categorie. In drie jaar tijd verdween het van de aardbodem. Overigens met een langere voorgeschiedenis, want er was al jaren geleden een oerlelijke schuur meteen voor het oude voorhuis gebouwd. Als er een prijs uitgereikt zou kunnen worden voor verwaarlozing c.q. vernietiging van (potentieel) erfgoed, dan zou ik die dit jaar willen uitreiken aan de eigenaar van dat ooit zo karakteristieke T-huis in Rekken. Het gezegde, alles van waarde is weerloos, gaat ook hier op.

Bennie te Vaarwerk

 

De Eibergse missaalrest in Museum De Scheper op Open Monumentendag, 10 september 2016

In het programma voor de Open Monumentendag, zaterdag 10 september a.s., is helaas geen aandacht geschonken aan de tentoonstelling van een wel heel bijzonder stuk middeleeuwse geschiedenis van Eibergen in de Schrijverskamer van het Museum De Scheper. Dan hebben we het over de Eibergse missaalrest die onlangs in het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers boven tafel kwam. Ik heb er eerder over geblogd. Het is een zeer bijzonder en uniek document, omdat er maar weinig middeleeuwse documenten bewaard zijn gebleven die betrekking hebben op de liturgie in de toenmalige parochiekerk, de huidige protestantse Oude Mattheus. Dat het stuk aan Eibergen gelinkt kan worden blijkt uit het hergebruik, namelijk als omslag voor een register met zaken de stad Eibergen betreffende. Bovendien is uit een door vicaris Henricus Lembecke opgemaakte inventaris van de bezittingen en inkomsten van de St.-Annavicarie (1486) in de kerk van Eibergen bekend,  dat het missaal door de schoolmeester versneden was.

In de door de calvinisten in bezit genomen kerken zijn alle beelden, altaren en zijaltaren meestal heel zorgvuldig verwijderd, maar in Lutherse kerken in Duitsland, zoals hier in de Dom van Magdeburg, zijn de zijaltaren nog aanwezig, zij het (natuurlijk) buiten gebruik. Op dit altaar een beeld van St.-Anna-te-Drieën: Anna, de moeder van Maria en haar kleinzoon Jezus. De Anna-verering nam in het laatste kwart van de 15de eeuw een enorme vlucht. Het mag dan ook geen verwondering wekken, dat ook in de Eibergse kerk in 1486 een St.-Annavicarie of -altaar werd gesticht. Anna-vicarieën waren er ook in Neede en Borculo. Misschien was het zoiets als dit.
In de door de calvinisten in bezit genomen kerken zijn alle beelden, altaren en zijaltaren meestal heel zorgvuldig verwijderd, maar in Lutherse kerken in Duitsland, zoals hier in de Dom van Magdeburg, zijn de zijaltaren nog aanwezig, zij het (natuurlijk) buiten gebruik. Op dit altaar een beeld van St.-Anna-te-Drieën: Anna, de moeder van Maria en haar kleinzoon Jezus. De Anna-verering nam in het laatste kwart van de 15de eeuw een enorme vlucht. Het mag dan ook geen verwondering wekken, dat ook in de Eibergse kerk in 1486 een St.-Annavicarie of -altaar werd gesticht. Anna-vicarieën waren er ook in Neede en Borculo. Misschien was het zoiets als dit.

Het in het Latijn gestelde stuk bevat teksten uit de bijbel, alsmede gebeden en aanwijzingen voor de orde van de mis. Vermoedelijk betreft het een bladzijde uit een dodenmis, want veel teksten en gebeden hebben op het overlijden en begraven betrekking. De plaats van de missaalrest in de Eibergse geschiedenis wordt duidelijk gemaakt in een powerpointpresentatie die in doorlopend vertoond wordt.

Detail van de missaalrest op de binnenzijde van het omslag.
Detail van de missaalrest op de binnenzijde van het omslag.

De missaalrest is een schakel tussen middeleeuwen en Nieuwe Tijd en vertelt o.a. door de handeling van de schoolmeester en het hergebruik als omslag óók het verhaal van de Reformatie in Eibergen. Aansluitend bij een in Münster gebruikte indeling kan die onderverdeeld worden in de Eerste en Tweede Reformatie. De eerste was een kerkhervorming in Lutherse zin, die in de Heerlijkheid Borculo ná 1530 plaatsvond en sterk werd gestimuleerd door de Vrouwe van Borculo, gravin Maria von Hoya und Brockhausen, echtgenote van graaf Joost van Bronckhorst, Heer van Borculo. Het graafschap Hoya was één van de eerste graafschappen waar al vroeg na de Hervorming een kerkorde naar Lutherse snit werd ingevoerd. Daarvoor was de broer van de gravin verantwoordelijk. Na de dood van graaf Joost van Bronckhorst, heeft de gravin-weduwe, met toestemming van de Münsterse leenheer, de bestaande religieuze verhoudingen en dus het Lutheranisme  gehandhaafd. Dat heeft ze met verve gedaan. Na haar overlijden, 1579, nam Münster zelf het bestuur over Borculo in handen, maar al met het stadsbestuur van Borculo werden afspraken gemaakt om de nog steeds Lutherse kerkorde te handhaven in de Heerlijkheid Borculo. Naar buiten toe leek alles bij het oude te zijn gebleven, maar dat was slechts schijn. Tegen het einde van het Münsterse tussenbestuur (1579-1616) won het calvinisme aan kracht in de Heerlijkheid Borculo. Calvinistische predikanten waren (als onderpastoors) al aantoonbaar werkzaam in de stad Borculo, Geesteren en mogelijk ook Neede. Eibergen kreeg in 1610, nadat daar de ‘altkatholische religion’ al jarenlang sterk verwaarloosd was, een katholiek priester die het examen door de Geestelijke Raad in Münster goed had doorstaan. Hoewel de Lutherse drost van Borculo weigerde de pastoor in te leiden in het bezit van de pastorie, wist de uit Groenlo geboortige pastoor Paulus Arresdorf zich in Eibergen te handhaven. Hij vertrok pas met de Reformatie in calvinistische zin (de ‘Tweede Reformatie’) in februari 1616. Geen wonder dus, dat toen de in de Heerlijkheid werkzame geestelijken zich op bevel van de Classis Zutphen op 18 juni 1616 te Zutphen meldden om geëxamineerd te worden op hun geloofsovertuiging, er geen geestelijke uit Eibergen kwam opdagen. Arresdorf werd later pastoor van Laag-Elten. In de Eibergse kerk verliep het jaar 1616 tumultueus, vooral door het optreden van dominee Henricus Meilinck, een uit Arnhem verdreven van vrijzinnige sympathieën (Remonstrant) verdachte predikant, die met steun van de nieuwe Heer van Borculo, graaf Joost van Limburg-Stirum, probeerde in de Heerlijkheid aan de bak te komen. Maar fel verzet van de orthodoxe Classis, onder leiding van dominee Wilhelmus Baudartius, gesteund door het Hof van Gelderland, moest Meilinck het veld ruimen. De eerst beroepen predikant Vinckius is waarschijnlijk niet actief geworden in Eibergen. Pas in 1617 kreeg Eibergen in de persoon van Johannes Palmerius een vaste predikant. In de tussentijd namen andere predikanten uit de Classis Zutphen waar.

Het jaar 1616 was voor de gehele Heerlijkheid Borculo, dus ook voor Eibergen, een jaar van overgang: van het vorstbisdom Münster naar de Graafschap Zutphen/Gelderland. Een van de belangrijkste gevolgen was dat de kerken in calvinistische zin hervormd werden. Ook dat is dus 400 jaar geleden.

Het missaal geeft in één document de geschiedenis van die 16de eeuw weer en van de Reformatie in Eibergen. Kom dus kijken.

Bennie te Vaarwerk

‘Alles is moar ’n tied lank’: bij de opheffing van de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo

 

Het officiële logo van de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo werd nauwelijks gebruikt.
Het officiële logo van de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo werd nauwelijks gebruikt.

Op 15 augustus 2016, de feestdag van Maria Hemelvaart, werd de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo ten grave gedragen. Niet in de verwachting overigens, dat het ooit tot een wederopstanding komt, want de SSHB is simpelweg door de tijd ingehaald. Als initiatiefnemer en medeoprichter, samen met Alex Koster, toenmalig gemeentearchivaris van Borculo, kijk ik niet met weemoed terug, zoals de in de titel van dit blog opgenomen uitspraak van ‘streekhistoricus’ Hendrik Odink zou kunnen suggereren.

Artikel in de GOC van 2 april 1992 over de oprichting van de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo.
Artikel in de GOC van 2 april 1992 over de oprichting van de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo.

Toen ik in 1986 betrokken raakte bij de oprichting van de Historische Kring Eibergen, bleek al snel dat de meeste oude archieven betreffende Eibergen van vóór 1795, zich buiten die toenmalige gemeente bevonden en wel in de archieven van de Heerlijkheid Borculo. Als medeauteur van Acht eeuwen Heerlijk Eibergen (1988), waren voor het onderzoek veel reizen naar Arnhem (Rijksarchief in Gelderland), Den Haag (Algemeen Rijksarchief) en Münster (Staatsarchiv en Bistumsarchiv) nodig. Dat waren de archiefdiensten waar de ‘Borculose’ archieven in de loop van de tijd terecht waren gekomen. De lotgevallen van de Borculose archieven weerspiegelden in die spreiding de lotgevallen van stad en heerlijkheid zelf en daarmee de geschiedenis van de latere gemeenten Borculo, Neede, Eibergen en Lichtenvoorde. Die gemeenten hebben op enig moment deel uitgemaakt van de heerlijkheid Borculo. Ik vond toen – en nu nog – dat in de lokale historie van die plaatsen geïnteresseerden, ook kennis moeten hebben van de geschiedenis van stad en heerlijkheid. Recent werd dat gemis aan historisch besef pijnlijk duidelijk rond de 400ste verjaardag van de overgang van stad en heerlijkheid Borculo van Münster naar Gelderland/Zutphen 1616. Alleen in Borculo werd het herdacht, de andere plaatsen, heemkundekringen en kerken (die in 2016 konden herdenken dat ze 400 jaar hervormd/protestants waren) lieten verstek gaan.
Dat moest anders vond ik. Als de geïnteresseerden niet naar de archieven gaan, dan moeten de archieven maar naar hen komen, dacht ik. Contact met Alex Koster leidde tot het idee om een Stichting op te gaan richten die zich zou gaan richten op de verfilming (op microfilms) van de buiten het gebied berustende Borculose archivalia. Digitalisering  leek toen nog ver weg en bovendien duur.

Artikel in het eveneens al historische huis-aan-huisblad 'Needse Winkelstand'uit 1991, waarin melding gemaakt wordt van een subsidie door de gemeente Neede voor de nieuwe Stichting. Omdat Neede een bloeiende Historische Kring had, was er daar enig wantrouwen richting SSHB. Gepoogd werd dat wantrouwen te ondervangen door de heemkundeverenigingen een plaats in het Stichtingsbestuur te geven. Neede kon dus een vinger aan de pols houden.
Artikel in het eveneens al historische huis-aan-huisblad ‘Needse Winkelstand’uit 1991, waarin melding gemaakt wordt van een subsidie door de gemeente Neede voor de nieuwe Stichting. Omdat Neede een bloeiende Historische Kring had, was er daar enig wantrouwen richting SSHB. Gepoogd werd dat wantrouwen te ondervangen door de heemkundeverenigingen een plaats in het Stichtingsbestuur te geven. Neede kon dus een vinger aan de pols houden.

De SSHB kon zich in het Hof vestigen, de historische plek van het kasteel van Borculo. Veel dank zijn wij de Openbare Bibliotheek en het bestuur van Het Hof verschuldigd voor de huisvesting. De plek was overigens niet alleen om historische redenen belangrijk. Van meet af aan was het de bedoeling dat de Collectie SSHB in een openbaar gebouw toegankelijk moest zijn en blijven.

Het voormalige gebouw van het toenmalige Rijksarchief in Gelderland aan de Markt in Arnhem.
Het voormalige gebouw van het toenmalige Rijksarchief in Gelderland aan de Markt in Arnhem.

Een deel was al in het verleden verfilmd door de Mormonen. Via het Rijksarchief in Gelderland konden wij kopieën van die films aankopen. In de tussentijd was de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo opgericht (3 april 1992), met de net uit de Borculose politiek gestapte Truus Spliethof-de Vos als voorzitter, ondergetekende als secretaris, Thomas Lijfering als penningmeester en Margreet van Dijk-Hartgerink en Alex Koster als bestuursleden.  Met subsidie van de gemeenten, de provincie (er is zelfs nog een gedeputeerde op bezoek geweest in de Borculose bibliotheek) en sponsoring konden microfilmleesapparaten aangeschaft worden. De verfilming zelf gebeurde door drie vrijwilligers: Truus Spliethof (van de eerste tot de laatste dag), Margreet van Dijk en Diet Lamé-de Wit. Laatstgenoemde heeft ook tot het laatst zitting gehad in de bestuur en was coördinator van het indiceringsproject, waarover straks meer. Zij reisden enkele jaren bijna wekelijks naar Arnhem, waar zij gastvrij werden ontvangen en begeleid door de medewerkers van het Rijksarchief.

Een krantenartikel in de Tubantia besteedde in 1996 uitgebreid aandacht aan het verfilmingsproject. Het 'verfilmingstrio', met wijlen Truus Spliethof op de voorgrond.
Een krantenartikel in de Tubantia besteedde in 1996 uitgebreid aandacht aan het verfilmingsproject. Het ‘verfilmingstrio’, met wijlen Truus Spliethof op de voorgrond.

Na de oprichting werd een informatiebijeenkomst in zaal Peters te Borculo gehouden. Geïnteresseerden konden zich opgeven als donateur. Uiteindelijk zou de SSHB ruim 100 donateurs krijgen. Dat is misschien niet veel, maar voor een Stichting, die zich niet profileerde als een heemkundeclub en zich niet primair richtte op publicaties, was dat aantal voldoende om de boel draaiende te houden.

In 1993, bij gelegenheid van de Monumentendag in september, gaf de nieuwe stichting zijn eerste publicatie uit: de Kleine Reeks. Verhalen over de geschiedenis van Stad en Heerlijkheid Borculo'. Later veranderde de ondertitel in 'Bijdragen tot de geschiedenis van Stad en Heerlijkheid Borculo', want gemakkelijk leesbare verhalen waren het niet (altijd).
In 1993, bij gelegenheid van de Monumentendag in september, gaf de nieuwe stichting zijn eerste publicatie uit: de Kleine Reeks. Verhalen over de geschiedenis van Stad en Heerlijkheid Borculo’. Later veranderde de ondertitel in ‘Bijdragen tot de geschiedenis van Stad en Heerlijkheid Borculo’, want gemakkelijk leesbare verhalen waren het niet (altijd).

Toch gaf de SSHB (onregelmatig) publicaties uit: de Kleine Reeks, met historische ‘verhalen’, en bronnenpublicaties die transcripties bevatten van belangrijk geachte ‘Borculose’ bronnen. Van de Kleine Reeks verschenen in totaal 13 delen, het laatste verscheen in 2007. De uitgave van de markenboeken van Dijcke (Alex Koster) en Beltrum (Nelly Oostrik) behoorden tot de categorie van de bronnenuitgaven.  De laatste bronnenpublicatie verscheen in 2008 (Rekening van de Heerlijkheid Borculo over 1580-1581) en staat inmiddels ook op de website. Vooral voor de papieren bronnenuitgaven was de belangstelling gering. Het waren en zijn nu eenmaal geen gemakkelijk leesbare publicaties. Het internet bood daar al snel een uitkomst. Veel bronnenuitgaven, waarvan het ooit de bedoeling was die op papier uit te geven, zijn dan ook als webbestand beschikbaar gesteld en downloadbaar, bijv. de verpondingskohieren van 1646  en het rapport van aankoop van Borculo en Lichtenvoorde uit 1777 behoren tot die categorie digitale bronnenpublicaties. Daar was het werk van de tijd al snel voelbaar, maar ook vruchtbaar. Toen daar later de indexen op het oud-rechterlijk archief aan toegevoegd werden, steeg het websitebezoek met sprongen: in 2015 meer dan 1 miljoen.

Bronnenpublicatie nummer 3: Rekeningen van het Ambt Lichtenvoorde. Uitgegeven in 1998.
Bronnenpublicatie nummer 3: Rekeningen van het Ambt Lichtenvoorde. Uitgegeven in 1998.

In de beginjaren gebeurde nog veel meer: uit Parijs werden kopieën van kaarten gehaald van de nooit gebouwde of te verbouwen keizerlijke stoeterij te Borculo. De kopieën berusten nu in het gemeentearchief.

Na de oprichting werden ook verschillende jaren cursussen paleografie in het Hof gegeven, want het lezen en begrijpen van het oude handschrift is noodzakelijk, als men goed onderzoek wil doen in de archieven en gedrukte bronnen wil controleren. Alex Koster, Henk Nijman en ondergetekende hebben die gegeven. Een van de doelen hierbij was om via die weg vrijwilligers voor het indiceringsproject te werven.

De opgraving van de donjon van het kasteel Borculo. Artikel in Achterhoek Nieuws van 1 september 1993.
De opgraving van de donjon van het kasteel Borculo. Artikel in Achterhoek Nieuws van 1 september 1993. Een journalist van een ander, inmiddels ook al niet meer bestaand huis-aan-huisblad, had het over de ‘Don Jon’ van het kasteel…

Bij het Hof raakte de SSHB betrokken bij de opgraving van het donjon, de grote (woon)toren van het ca. 1760 gesloopte kasteel van Borculo. Na enkele jaren werd de kuil weer dichtgegooid, omdat de donjon-restanten niet beschermd bleken tegen weersinvloeden en de kuil gebruikt werd om er afval in te gooien.

Omslag van het cursusboek paleografie, 2005-2006.
Omslag van het cursusboek paleografie, 2005-2006.

De grootste en meest langdurige klus waarmee de SSHB zich beziggehouden heeft, was het maken van een index op de inhoud van de in de Borculose bibliotheek berustende ‘Collectie SSHB’,  de microfilms met enkele honderdduizenden opnamen van Borculose archivalia. Heel veel vrijwilligers hebben hier jarenlang aan gewerkt. De grootste dank zijn wij dan ook wel aan hen verschuldigd. Voorwaar een monsterklus en dat met behulp van een microfilmleesapparaat dat maar al te vaak in een woonkamer eigenlijk in de weg stond. Het maken van indexen op naam was tijdrovend en intensief. Voor degenen die met de computer handig waren, was het programma Excel op een gegeven moment een uitkomst, maar dan nog. Veel handmatig  geschreven indexen zijn ingevoerd door Netteke Fiolet, die ook tot het laatst bij het project betrokken was. Dat geldt ook voor Jot en Dick van Zuidam, die op afstand intensief met het SSHB-gebeuren meededen (ook bij het bewerken van de Excelbestanden en de omzetting naar pdf) en meeleefden, Diny Schreuder, Jan Derking en vele anderen die gedurende kortere of langere tijd met het ‘indiceren’ bezig zijn geweest. Het indexproject was een sleutelproject in het bestaan van de SSHB. Hoewel niet alle films geïndiceerd konden worden – het reservoir aan vrijwilligers droogde op – zijn we wel een heel eind gevorderd. In de loop van de jaren zullen er druppelsgewijs nog wel indexen toegevoegd worden. Aanvankelijk konden bezoekers de indexen alleen inzien in de bibliotheek. Pas later werden de bestanden in pdf-formaat ook via de website beschikbaar gesteld, wat plaats- en tijdsonafhankelijk vooronderzoek mogelijk maakte.

De 'ontdekking' van (ver)bouwtekeningen van het Hof te Borculo tot een keizerlijke stoeterij van Napoleon, was wel een sensatie. Het was de reis waard. Het torentje linksachter is er overigens door de krant aan toegevoegd. (Twentsche Courant, 26-2-1994)
De ‘ontdekking’ van (ver)bouwtekeningen van het Hof te Borculo tot een keizerlijke stoeterij van Napoleon, was wel een sensatie. Het was de reis waard. Het torentje linksachter is er overigens door de krant aan toegevoegd. (Twentsche Courant, 26 februari 1994)

Het was in essentie de grote vlucht die de digitalisering en het internet namen en nog steeds nemen, die de SSHB overbodig maakten. Enkele jaren geleden heeft het Gelders Archief, de opvolger van het Rijksarchief in Gelderland, de door onze vrijwilligers gemaakte microfilms van het archief van de Heren van Borculo gedigitaliseerd en op zijn website geplaatst. Het Staatsarchiv Münster heeft hetzelfde gedaan met een deel van de bestanden. Ongetwijfeld zullen er nog meer volgen. Het oud-rechterlijk archief van Borculo is inmiddels door het Gelders Archief overgedragen aan het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers. Helaas werd het overgedragen in de (vaak) slechte staat waarin het zich al tientallen jaren bevond, gesanctioneerd door een toenmalige algemeen rijksarchivaris. Het ECAL maakt momenteel veel werk van de restauratie van delen uit dit en andere overgedragen archieven. Digitalisering was en is voor de SSHB een brug te ver, vanwege de kosten en het beheer van de gedigitaliseerde films.

In de toekomst zullen alleen nog maar meer bestanden op allerlei platforms digitaal beschikbaar komen. De indexen blijven via de website toegankelijk en downloadbaar. Dat geldt ook voor enkele digitale bronnenpublicaties die nog door de SSHB zijn uitgegeven. De website, die geen platform was van de SSHB, maar wel vóór de SSHB, blijft bestaan en is al omgezet in een breder platform voor de geschiedenis van stad en heerlijkheid Borculo. Dat aandacht voor die geschiedenis nog steeds nodig is en ook zal blijven, blijkt wel uit het gebrek aan belangstelling voor de herdenking van de 400ste verjaardag van de overgang van ‘Borculo’ van Münster naar Gelderland. Voor mij blijft daarbij het uitgangspunt, dat de wereld niet om Borculo draait, maar ‘Borculo’ wel in de wereld meedraait.

Een artikel in de Tubantia van 30 november 1991 over de (aanstaande) oprichting van de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo. Op de foto de beide oprichters, Alex Koster en Bennie te Vaarwerk.
Een artikel in de Tubantia van 30 november 1991 over de (aanstaande) oprichting van de Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo. Op de foto de beide oprichters, Alex Koster en Bennie te Vaarwerk.

Nu de SSHB verleden tijd is, wordt nog overleg gepleegd via de Erfgoedkoepel Berkelland om de Collectie SSHB als één geheel, zoals ook in de statuten verwoord, in eigendom/beheer te geven bij één van de heemkundeverenigingen in het werkgebied. De microfilmleesapparaten zullen ook zoveel mogelijk verdeeld worden. In het najaar zal daartoe nog een boedeldag georganiseerd worden. Tot vereffenaar is Ben van Dijk benoemd. Hij was de laatste penningmeester van de Stichting.

De Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo heeft zijn tijd gehad. Ik ben dankbaar dat ik daaraan heb mogen bijdragen, maar vooral ook blij dat het nu eindelijk afgerond wordt.

Bennie te Vaarwerk

Het ‘Verloren kerkhof’ in Groenlo, bedreigd erfgoed tussen de oude en nieuwe N18

De poort die toegang geeft tot het 'Verloren Kerkhof' aan de huidige N18 te Groenlo, op de grens van de voormalige gemeenten Groenlo en Eibergen, maar in het stadsschependom gelegen. De nieuwe N18 wordt over de voormalige vuilstort (op de foto op de achtergrond) aangelegd.
De poort die toegang geeft tot het ‘Verloren Kerkhof’ aan de huidige N18 te Groenlo, op de grens van de voormalige gemeenten Groenlo en Eibergen, maar in het stadsschependom gelegen. De nieuwe N18 wordt over de voormalige vuilstort (op de foto op de achtergrond) aangelegd.

In september 2016 begint de aanleg van de nieuwe N18 tussen Groenlo en Enschede. In dat kader wordt nu al een archeologisch onderzoek bij Groenlo uitgevoerd. Eén van de terreintjes waar tot nu toe weinig belangstelling was, betreft het terrein aan de huidige N18 tussen Groenlo en Eibergen tegenover de benzinepomp aldaar.

Detail van een topografische kaart uit 1935, rondom de huidige N18 en de voormalige spoorlijn. In de onderste helft wordt de begraafplaats aangegeven. De onderbroken lijn erboven is de oude gemeentegrens tussen Eibergen en Groenlo.
Detail van een topografische kaart uit 1935, rondom de huidige N18 en de voormalige spoorlijn. In de onderste helft wordt de begraafplaats aangegeven. De onderbroken lijn erboven is de oude gemeentegrens tussen Eibergen en Groenlo.

Een ander deel van het bewuste terrein is in het verleden als vuilstort van de gemeente Groenlo in gebruik geweest. Het westelijk deel van dat terrein, dat direct grenst aan het fietspad langs de N18, staat op oude(re) kaarten te boek als begraafplaats. In de volksmond is dat terrein bekend als het ‘Verloarne Karkhof’, ‘verloren kerkhof’. Een poort in het hekwerk geeft er nog toegang toe. Op diverse topografische kaarten vanaf de negentiende eeuw wordt het terrein aangeduid als ‘Begraafplaats’, op andere kaarten staan er alleen kruisen ingetekend.  De nieuwe N18 gaat, als je hem op deze kaart zou projecteren, geheel parallel lopen aan de huidige weg.

‘Verloren’ kerkhoven zijn op meerdere plaatsen in het land te vinden, o.a. in Bilthoven en Roermond. Het woord ‘verloren’ heeft geen betrekking op een kerkhof dat ‘kwijtgeraakt’ is, maar heeft vooral betrekking op de ‘verlorenen’ die er in een anoniem graf begraven werden en voor wie op in de gewijde grond rondom de oude kerkgebouwen en in de 19de eeuw, op de vooral iets vóór 1830 aangelegde, nieuwe begraafplaatsen, geen plek was. Op deze begraafplaatsen werden heidenen (ongelovigen), terechtgestelden, zelfmoordenaars, zwervers en zelfs ongedoopte kinderen begraven.

Detail van de 'landweerkaart' van Nicolaes van Geelkercken, uit de periode 1628-1656. Het noorden is onder. Groenlo, met het bekende silhouet is boven. Naar beneden, op de kaart links van de weg naar Eibergen, is de (Grolse) galg afgebeeld. Verder vinden we er de 'Hupseler Beeck', de natuurlijke grens tussen de kerspelen Eibergen en Groenlo, het voormalige Kwartier van graaf Ernst van Nassau uit 1627, maar ook de 'Marsbraeck' (= Marhulser Braak) en de vlakbij gelegen "Grolschen Ticheloven',  waar de stenen voor de Groenlose verdedigingswerken werden gebakken. Het 'Brandevelt', waar het in de strijd tussen Groenlo en Eibergen om ging, is onderdeel van het grote Eibergse Veld. De naam herinnert aan een grote veenbrand, die daar toen al lang geleden heeft gewoed. (GldA, AKV 833)
Detail van de ‘landweerkaart’ van Nicolaes van Geelkercken, uit de periode 1628-1656. Het noorden is onder. Groenlo, met het bekende silhouet is boven. Naar beneden, op de kaart links van de weg naar Eibergen, is de (Grolse) galg afgebeeld. Verder vinden we er de ‘Hupseler Beeck’, de natuurlijke grens tussen de kerspelen Eibergen en Groenlo, het voormalige Kwartier van graaf Ernst van Nassau uit 1627, maar ook de ‘Marsbraeck’ (= Marhulser Braak) en de vlakbij gelegen “Grolschen Ticheloven’, waar de stenen voor de Groenlose verdedigingswerken werden gebakken. Het ‘Brandevelt’, waar het in de strijd tussen Groenlo en Eibergen om ging, is onderdeel van het grote Eibergse Veld. De naam herinnert aan een grote veenbrand, die daar toen al lang geleden heeft gewoed. (GldA, AKV 833)

Het Groenlose Verloren Kerkhof heeft mogelijk een oudere geschiedenis. Want zo ongeveer op deze plek vinden we op oude kaarten een gerichtsplaats, al of niet aangegeven met een galg. De terechtgestelden werden hier begraven. De galg stond, zoals vaak gebruikelijk, op de grens van het rechtsgebied van de stad Groenlo en diende dan ook als waarschuwing voor reizigers dat men een ander rechtsgebied betrad. Een van de mij tot nu toe oudst bekende afbeeldingen van een galg op of nabij de bewuste locatie is te vinden op een ongedateerde kaart van Nicolaes van Geelkercken uit de periode 1628-1656, toen deze landmeter in Arnhem actief was. Het is een kaartje gebaseerd op een oculaire inspectie van het gebied, of zoals hijzelf onder de kaart schreef,  dat hij deze ‘doer het gesicht, sonder maete gecartiert’ had, ‘menende tot de sacke genoch te sijn’. Die zaak betreft een geschil tussen Eibergen en Groenlo over het gebruik van het grote Eibergse Veld door burgers van die laatste stad. De kaart is vooral ook van belang voor de landweren in Eibergen en omgeving, maar dat terzijde.

Detail van de kaart van landmeter Wollant, ca. 1780, van de streek tussen Groenlo en Eibergen. Opnieuw is langs een weg naar Eibergen de 'Gerigtplaats' aangegeven, en ook hier zijn weer restanten te vinden van de circumvallatielinie van Groenlo uit 1627. In de bijbehorende beschrijving van het gebied, maakt Wollant overigens géén melding van deze gerichtsplaats. (NA, OSK Y11 S4)
Detail van de kaart van landmeter Wollant, ca. 1780, van de streek tussen Groenlo en Eibergen. Opnieuw is langs een weg naar Eibergen de ‘Gerigtplaats’ aangegeven, en ook hier zijn weer restanten te vinden van de circumvallatielinie van Groenlo uit 1627. In de bijbehorende beschrijving van het gebied, maakt Wollant overigens géén melding van deze gerichtsplaats. (NA, OSK Y11 S4)

Op een kaartje van landmeter Wollant uit waarschijnlijk de jaren ’80 van de achttiende eeuw, waarvan kopieën zijn gebruikt voor de Hottingerkaart (vriendelijke mededeling van Frans Scholten), vinden we de ‘gerigtplaats’ ten noorden van Groenlo (op de afbeelding links) aan een weg door het veld naar Eibergen, nabij restanten van de verdedigingswerken uit 1627. Ook de Hupselse beek wordt er aangegeven.

Detail uit het Kadastraal minuutplan van de gemeente Groenlo, 1828. De bewuste percelen konden niet op het blad (links)bij getekend worden, dus moesten zij apart getekend worden op een leeg deel, erboven. De boerderij 'Breeken' ('Brekeman') ligt er nog en komt nu  bijna aan de nieuwe N18 te liggen. (Via website RCE, Groenlo, Sectie A, 2de blad)
Detail uit het Kadastraal minuutplan van de gemeente Groenlo, 1828. De bewuste percelen konden niet op het blad (links)bij getekend worden, dus moesten zij apart getekend worden op een leeg deel, erboven. De boerderij ‘Breeken’ (‘Brekeman’) ligt er nog en komt nu bijna aan de nieuwe N18 te liggen. (Via website RCE, Groenlo, Sectie A, 2de blad)

Volgens het kadastraal Minuutplan uit 1828 en de bijbehorende Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel, was de stad Groenlo eigenaar van het terreinen met de kadastrale nummers A 590 en A 591. Het eerste terrein was een  dennenbos van 0,6 ha. en het tweede terrein, wordt omschreven als ‘Heide’ en was bijna 4 ha. groot. Op dit laatste terrein bevinden zich zowel het Verloren Kerkhof als een deel van de voormalige vuilstort.

Ik hoop maar, dat de plaatselijke oudheidkundigen tijdens de aanleg van de weg continu aanwezig zijn, want het is helemaal niet zeker dat de ‘verlorenen’ er in keurige rijen werden begraven, maar dat ook onder het nieuwe tracé menselijke resten kunnen worden aangetroffen. Is dat het geval, dan kan ook onderzoek gedaan worden naar de ouderdom van deze Grolse gerichtsplaats en (bijbehorend) Ve-loarne Karkhof.

Bennie te Vaarwerk

Een Eibergs missaal uit de middeleeuwen?

Onlangs maakte het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers op zijn website melding van de beschikbaarstelling van een ‘nieuwe’ Eibergse bron. Het betreft een gerestaureerd registertje met allerlei zaken de stad Eibergen betreffende, dat als inventarisnummer 116 aan het oud-archief van de stad Eibergen (bloknummer 0025) werd toegevoegd. Het registertje is voorzien van een ‘Middeleeuwse perkamenten omslag’, aldus de melding op de website. Die toevoeging ‘Middeleeuws’ kan er alleen op duiden dat het een beschreven omslag betrof. Afgelopen week heb ik de handschoen maar eens opgenomen om het registertje eens te bekijken. En inderdaad, het had een beschreven perkamenten omslag, beschreven aan buiten- en binnenzijde. Het bevatte Latijnse teksten, die zo op het eerste oog wel eens van kerkelijke afkomst zouden kunnen zijn. Misschien de restant van een blad uit een missaal.

De buitenzijde van het perkamenten omslag. (Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, 0025 Oud-archief Eibergen, inv.nr. 116)
De buitenzijde van het perkamenten omslag. (Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, 0025 Oud-archief Eibergen, inv.nr. 116)

 

 

De binnenzijde van het missaalblad heeft gevouwen randen, waardoor niet altijd de tekst goed te lezen is. (ECAL, 0025, OA Eibergen, inv.nr. 116)
De binnenzijde van het missaalblad heeft gevouwen randen, waardoor niet altijd de tekst goed te lezen is. (ECAL, 0025, OA Eibergen, inv.nr. 116)

Misschien hoopte ik dat, omdat ik uit een andere bron weet dat het Eibergse misboek (missaal) al in 1572 door de plaatselijke schoolmeester in stukken gesneden was. Een inventaris uit dat jaar van de vicaris van het St.-Anna-altaar in de Eibergse parochiekerk,  Henricus Lembecke, maakt de desolate toestand van de tot de vicarie (en mogelijk ook van de kerk en parochie) duidelijk. Hij schrijft:

Item, dar ys noch eynen gueden kelck toe myt der pateenen [schaaltje waarop de priester de door hem te nuttigen hostie legt voor de consecratie]. Dat misseboeck ys versnedden durch unsen schoelmeysteren. Dye alve [lang wit gewaad voor de priester, te dragen tijdens de mis onder het kazuifel] dye karckmeysteren den koester to eyn rochelijn [overkleed, koorgewaad] gegeven. Dye alterlaeckenne mij heymelijck ontfremdet … van den altaar.  Dye myssegewaete van den woerm verteert. Dye gaerdynen ende dwelen [altaarhanddoek] myt dat behoerlijke iserwerck en wechgenaemen. Dye kerssenkandelers hebbe yck, Henricus, yn dye raedtkyste [archiefkist] doen sluyten. Item  daer synt noch twe wijnpullen sus lange tot den aversten altare [hoogaltaar] gebruyket, myt eyn kystken.’

Kortom, als er nog rooms-katholieke diensten plaatsvonden, dan kunnen deze niet veel meer hebben voorgesteld. De Lutherse Vrouwe van Borculo, gravin-weduwe Maria von Hoya, heeft na het overlijden van haar man, graaf Joost van Bronckhorst, heer van Borculo, in 1553, er alles aan gedaan om de op dat moment bestaande religieuze verhoudingen te handhaven. In de kerken van Borculo, Geesteren, Eibergen en Neede waren al vanaf de jaren ’30 van de 16de eeuw, Lutherse predikanten werkzaam. In de kerk van Eibergen was vanaf 1610 tot 1616 een geestelijke werkzaam, van wie met zekerheid gezegd kan worden dat hij rooms-katholiek was, namelijk Paulus Arresdorf, een familielid van de Münsterse wijbisschop Nicolaas Arresdorf. Deze familie had Grolse wortels. Na de Reformatie in Calvinistische zin, die in de Heerlijkheid Borculo in de maanden januari en februari 1616 plaatsvond, vertrok Arresdorf naar Laag-Elten om daar pastoor te worden.

Ook in een ander Eibergs archiefstuk heb ik al jaren geleden een met een Latijnse tekst beschreven snipper van een perkamenten blad gevonden, nl. in het protocol van de Hof te Vaarwerk in Olden Eibergen. Dat stukje perkament werd gebruikt voor de versteviging van de registerband. Het schrift vertoont zeer sterke overeenkomsten met de missaalrest. Voor mij een aanwijzing temeer, dat de missaalrest uit de Eibergse kerk afkomstig  is.

De beschreven snipper perkament in de registerband van de Hof te Vaarwerk. (Gelders Archief, Huis Verwolde)
De beschreven snipper perkament in de registerband van de Hof te Vaarwerk.  Het protocol of hofboek begint in 1602. (Gelders Archief, Huis Verwolde).

Ik kan natuurlijk niet bewijzen dat het bewaard gebleven blad afkomstig is uit het Eibergse missaal, maar ondenkbaar is het niet. Een kort onderzoek levert wel op dat het een blad betreft uit een (doden)misboek en dat het ook van vóór het Concilie van Trente (1545-1563) dateert. Dat blijkt bijv. uit de graduale inde 4e alinea in de rechterkolom van het binnenblad, waar staat: ‘Si ambulem in medio umbrae mortis non timebo in male: quoniam tu mecum es, Domine; virga tua et balacus tuus, ipsa me consolata sunt’.  Deze tekst werd volgens Robert Chase in het boek Dies irae: A guide to Requiem Music (2003), blz. 3, alleen gezongen vóór het Concilie van Trente. Een vertaling uit 1756 (‘Het Roomsch Misboek’, vol. 2, blz. 204) luidt:

‘Al wandele ik in ’t midden van de schaduwe des doods, zoo zal ik geen quadt vreesen: want gij, Heer, met mij zijt. Uwe stok en uwe staf, die vertroosten mij’.

De KBS-vertaling van de bijbel uit 1995 heeft:

‘Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang, want U bent bij mij: uw knots en uw staf geven mij nieuwe moed’ (Psalm 23).

De Oude Mattheus in Eibergen is het enige behoorlijk gaaf bewaard gebleven kerkgebouw in de voormalige Heerlijkheid Borculo. Het koor is het oudste deel (eind 15de eeuw), het schip, dat breder is dan het lang is, kwam in 1500 gereed, en de toren werd na 1544 gebouwd dan wel voltooid.
De Oude Mattheus in Eibergen is het enige behoorlijk gaaf bewaard gebleven kerkgebouw in de voormalige Heerlijkheid Borculo. Het koor is het oudste deel (eind 15de eeuw), het schip, dat breder is dan het lang is, kwam in 1500 gereed, en de toren werd na 1544 gebouwd dan wel voltooid.

Ook andere fragmenten verwijzen al dan niet meer of minder volledig naar Bijbelpassages, maar slechts zelden zijn er volledig overeenkomende tekstedities. Dat maakt plaatsing lastig. Mogelijk zijn er overeenkomsten met bewaard gebleven misboeken uit het bisdom Münster, waartoe de parochie Eibergen behoorde. Er is mede daarom nog wel wat onderzoekswerk te verrichten. Dat het blad uit het misboek uit de middeleeuwen stamt, is alleen al op grond van het schrift vast te stellen. Dat het een blad uit het door de schoolmeester versneden Eibergse misboek betreft, is op zich echter moeilijk te bewijzen. Argumenten zijn er wel: er is in Eibergen  een niet meer in gebruik zijnd misboek geweest, dat door de schoolmeester in of vóór 1572 is verknipt, vermoedelijk ten behoeve van hergebruik. En zo kan het als omslag in gebruik genomen zijn van het omstreeks 1609 aangelegde stadsregistertje. Zie ook dit blog. Voorts is het een misboek dat dateert van vóór het Concilie van Trente. Het kan dus heel goed in onbruik zijn geraakt vóór de melding van het versnijden in 1572. Verder was Eibergen een stadje, waar vermoedelijk alleen maar perkamenten boeken aanwezig waren in de kerk. Toen die in onbruik raakten als gevolg van de kerkhervorming in Lutherse zin (na 1530 in de Heerlijkheid Borculo) of als gevolg van het Concilie van Trente (minder aannemelijk, omdat die hervormingen slechts langzaam doorgevoerd werden en in Borculo stuitten op verzet van de Vrouwe van Borculo) konden ze voor niet-kerkelijke doeleinden in verknipte vorm  ‘hergebruikt’ worden, bijv. als omslag.

De huidige protestantse Oude Mattheuskerk van Eibergen, was vóór de reformatie in Calvinistische zin, in februari 1616, de rooms-katholieke parochiekerk van Eibergen. Na de Reformatie zijn de wandschilderingen, waaronder een complete apostelgalerij, onder de witkalk verdwenen, om in de jaren '70 van de vorige eeuw weer teruggevonden te worden. Let ook op de (alleen in het koor) aanwezige wijdingskruisen en de rijk uitgevoerde kraagstenen.
De huidige protestantse Oude Mattheuskerk van Eibergen, was vóór de reformatie in Calvinistische zin, in februari 1616, de rooms-katholieke parochiekerk van Eibergen. Na de Reformatie zijn de wandschilderingen, waaronder een complete apostelgalerij, onder de witkalk verdwenen, om in de jaren ’70 van de vorige eeuw weer teruggevonden te worden. Let ook op de (alleen in het koor) aanwezige wijdingskruisen en de rijk uitgevoerde kraagstenen.

Al met al beschikt Eibergen over een mogelijk uniek archiefstuk, dat een aanvulling vormt op de toch al rijke middeleeuwse resten in zowel de protestantse Oude Mattheuskerk (goed bewaard gebleven middeleeuwse kerk en wandschilderingen)  en de nabijgelegen nieuwe  r.-k. St.-Mattheuskerk (laatmiddeleeuwse houten  beeldenschat).

Voor meer informatie over het missaalblad, vragen e.d. houd ik mij uiteraard aanbevolen.

Naschrift
De Eibergse missaalrest, zoals het stuk inmiddels in de wandeling heet, is op Open Monumentendag, 10 september 2016, te zien in het Museum de Scheper, ingang aan De Hagen in Eibergen. Een gedeelte van de dag zal ik aanwezig zijn om tekst en uitleg te geven over het stuk en de achtergronden. Er is een doorlopende diavoorstelling (PowerPoint).
Ik beveel aan om aansluitend de tegenover het Museum liggende laatgotische Oude Mattheuskerk van Eibergen te bezoeken, de kerk waarin het missaal tot in de 16de eeuw gebruikt werd. Ook de r.-k. St.-Mattheuskerk is de moeite waard, in dit kader vooral vanwege de in die kerk aanwezige laatmiddeleeuwse beeldenschat.

Bennie te Vaarwerk