Het ‘Verloren kerkhof’ in Groenlo, bedreigd erfgoed tussen de oude en nieuwe N18

De poort die toegang geeft tot het 'Verloren Kerkhof' aan de huidige N18 te Groenlo, op de grens van de voormalige gemeenten Groenlo en Eibergen, maar in het stadsschependom gelegen. De nieuwe N18 wordt over de voormalige vuilstort (op de foto op de achtergrond) aangelegd.
De poort die toegang geeft tot het ‘Verloren Kerkhof’ aan de huidige N18 te Groenlo, op de grens van de voormalige gemeenten Groenlo en Eibergen, maar in het stadsschependom gelegen. De nieuwe N18 wordt over de voormalige vuilstort (op de foto op de achtergrond) aangelegd.

In september 2016 begint de aanleg van de nieuwe N18 tussen Groenlo en Enschede. In dat kader wordt nu al een archeologisch onderzoek bij Groenlo uitgevoerd. Eén van de terreintjes waar tot nu toe weinig belangstelling was, betreft het terrein aan de huidige N18 tussen Groenlo en Eibergen tegenover de benzinepomp aldaar.

Detail van een topografische kaart uit 1935, rondom de huidige N18 en de voormalige spoorlijn. In de onderste helft wordt de begraafplaats aangegeven. De onderbroken lijn erboven is de oude gemeentegrens tussen Eibergen en Groenlo.
Detail van een topografische kaart uit 1935, rondom de huidige N18 en de voormalige spoorlijn. In de onderste helft wordt de begraafplaats aangegeven. De onderbroken lijn erboven is de oude gemeentegrens tussen Eibergen en Groenlo.

Een ander deel van het bewuste terrein is in het verleden als vuilstort van de gemeente Groenlo in gebruik geweest. Het westelijk deel van dat terrein, dat direct grenst aan het fietspad langs de N18, staat op oude(re) kaarten te boek als begraafplaats. In de volksmond is dat terrein bekend als het ‘Verloarne Karkhof’, ‘verloren kerkhof’. Een poort in het hekwerk geeft er nog toegang toe. Op diverse topografische kaarten vanaf de negentiende eeuw wordt het terrein aangeduid als ‘Begraafplaats’, op andere kaarten staan er alleen kruisen ingetekend.  De nieuwe N18 gaat, als je hem op deze kaart zou projecteren, geheel parallel lopen aan de huidige weg.

‘Verloren’ kerkhoven zijn op meerdere plaatsen in het land te vinden, o.a. in Bilthoven en Roermond. Het woord ‘verloren’ heeft geen betrekking op een kerkhof dat ‘kwijtgeraakt’ is, maar heeft vooral betrekking op de ‘verlorenen’ die er in een anoniem graf begraven werden en voor wie op in de gewijde grond rondom de oude kerkgebouwen en in de 19de eeuw, op de vooral iets vóór 1830 aangelegde, nieuwe begraafplaatsen, geen plek was. Op deze begraafplaatsen werden heidenen (ongelovigen), terechtgestelden, zelfmoordenaars, zwervers en zelfs ongedoopte kinderen begraven.

Detail van de 'landweerkaart' van Nicolaes van Geelkercken, uit de periode 1628-1656. Het noorden is onder. Groenlo, met het bekende silhouet is boven. Naar beneden, op de kaart links van de weg naar Eibergen, is de (Grolse) galg afgebeeld. Verder vinden we er de 'Hupseler Beeck', de natuurlijke grens tussen de kerspelen Eibergen en Groenlo, het voormalige Kwartier van graaf Ernst van Nassau uit 1627, maar ook de 'Marsbraeck' (= Marhulser Braak) en de vlakbij gelegen "Grolschen Ticheloven',  waar de stenen voor de Groenlose verdedigingswerken werden gebakken. Het 'Brandevelt', waar het in de strijd tussen Groenlo en Eibergen om ging, is onderdeel van het grote Eibergse Veld. De naam herinnert aan een grote veenbrand, die daar toen al lang geleden heeft gewoed. (GldA, AKV 833)
Detail van de ‘landweerkaart’ van Nicolaes van Geelkercken, uit de periode 1628-1656. Het noorden is onder. Groenlo, met het bekende silhouet is boven. Naar beneden, op de kaart links van de weg naar Eibergen, is de (Grolse) galg afgebeeld. Verder vinden we er de ‘Hupseler Beeck’, de natuurlijke grens tussen de kerspelen Eibergen en Groenlo, het voormalige Kwartier van graaf Ernst van Nassau uit 1627, maar ook de ‘Marsbraeck’ (= Marhulser Braak) en de vlakbij gelegen “Grolschen Ticheloven’, waar de stenen voor de Groenlose verdedigingswerken werden gebakken. Het ‘Brandevelt’, waar het in de strijd tussen Groenlo en Eibergen om ging, is onderdeel van het grote Eibergse Veld. De naam herinnert aan een grote veenbrand, die daar toen al lang geleden heeft gewoed. (GldA, AKV 833)

Het Groenlose Verloren Kerkhof heeft mogelijk een oudere geschiedenis. Want zo ongeveer op deze plek vinden we op oude kaarten een gerichtsplaats, al of niet aangegeven met een galg. De terechtgestelden werden hier begraven. De galg stond, zoals vaak gebruikelijk, op de grens van het rechtsgebied van de stad Groenlo en diende dan ook als waarschuwing voor reizigers dat men een ander rechtsgebied betrad. Een van de mij tot nu toe oudst bekende afbeeldingen van een galg op of nabij de bewuste locatie is te vinden op een ongedateerde kaart van Nicolaes van Geelkercken uit de periode 1628-1656, toen deze landmeter in Arnhem actief was. Het is een kaartje gebaseerd op een oculaire inspectie van het gebied, of zoals hijzelf onder de kaart schreef,  dat hij deze ‘doer het gesicht, sonder maete gecartiert’ had, ‘menende tot de sacke genoch te sijn’. Die zaak betreft een geschil tussen Eibergen en Groenlo over het gebruik van het grote Eibergse Veld door burgers van die laatste stad. De kaart is vooral ook van belang voor de landweren in Eibergen en omgeving, maar dat terzijde.

Detail van de kaart van landmeter Wollant, ca. 1780, van de streek tussen Groenlo en Eibergen. Opnieuw is langs een weg naar Eibergen de 'Gerigtplaats' aangegeven, en ook hier zijn weer restanten te vinden van de circumvallatielinie van Groenlo uit 1627. In de bijbehorende beschrijving van het gebied, maakt Wollant overigens géén melding van deze gerichtsplaats. (NA, OSK Y11 S4)
Detail van de kaart van landmeter Wollant, ca. 1780, van de streek tussen Groenlo en Eibergen. Opnieuw is langs een weg naar Eibergen de ‘Gerigtplaats’ aangegeven, en ook hier zijn weer restanten te vinden van de circumvallatielinie van Groenlo uit 1627. In de bijbehorende beschrijving van het gebied, maakt Wollant overigens géén melding van deze gerichtsplaats. (NA, OSK Y11 S4)

Op een kaartje van landmeter Wollant uit waarschijnlijk de jaren ’80 van de achttiende eeuw, waarvan kopieën zijn gebruikt voor de Hottingerkaart (vriendelijke mededeling van Frans Scholten), vinden we de ‘gerigtplaats’ ten noorden van Groenlo (op de afbeelding links) aan een weg door het veld naar Eibergen, nabij restanten van de verdedigingswerken uit 1627. Ook de Hupselse beek wordt er aangegeven.

Detail uit het Kadastraal minuutplan van de gemeente Groenlo, 1828. De bewuste percelen konden niet op het blad (links)bij getekend worden, dus moesten zij apart getekend worden op een leeg deel, erboven. De boerderij 'Breeken' ('Brekeman') ligt er nog en komt nu  bijna aan de nieuwe N18 te liggen. (Via website RCE, Groenlo, Sectie A, 2de blad)
Detail uit het Kadastraal minuutplan van de gemeente Groenlo, 1828. De bewuste percelen konden niet op het blad (links)bij getekend worden, dus moesten zij apart getekend worden op een leeg deel, erboven. De boerderij ‘Breeken’ (‘Brekeman’) ligt er nog en komt nu bijna aan de nieuwe N18 te liggen. (Via website RCE, Groenlo, Sectie A, 2de blad)

Volgens het kadastraal Minuutplan uit 1828 en de bijbehorende Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel, was de stad Groenlo eigenaar van het terreinen met de kadastrale nummers A 590 en A 591. Het eerste terrein was een  dennenbos van 0,6 ha. en het tweede terrein, wordt omschreven als ‘Heide’ en was bijna 4 ha. groot. Op dit laatste terrein bevinden zich zowel het Verloren Kerkhof als een deel van de voormalige vuilstort.

Ik hoop maar, dat de plaatselijke oudheidkundigen tijdens de aanleg van de weg continu aanwezig zijn, want het is helemaal niet zeker dat de ‘verlorenen’ er in keurige rijen werden begraven, maar dat ook onder het nieuwe tracé menselijke resten kunnen worden aangetroffen. Is dat het geval, dan kan ook onderzoek gedaan worden naar de ouderdom van deze Grolse gerichtsplaats en (bijbehorend) Ve-loarne Karkhof.

Bennie te Vaarwerk

Een Eibergs missaal uit de middeleeuwen?

Onlangs maakte het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers op zijn website melding van de beschikbaarstelling van een ‘nieuwe’ Eibergse bron. Het betreft een gerestaureerd registertje met allerlei zaken de stad Eibergen betreffende, dat als inventarisnummer 116 aan het oud-archief van de stad Eibergen (bloknummer 0025) werd toegevoegd. Het registertje is voorzien van een ‘Middeleeuwse perkamenten omslag’, aldus de melding op de website. Die toevoeging ‘Middeleeuws’ kan er alleen op duiden dat het een beschreven omslag betrof. Afgelopen week heb ik de handschoen maar eens opgenomen om het registertje eens te bekijken. En inderdaad, het had een beschreven perkamenten omslag, beschreven aan buiten- en binnenzijde. Het bevatte Latijnse teksten, die zo op het eerste oog wel eens van kerkelijke afkomst zouden kunnen zijn. Misschien de restant van een blad uit een missaal.

De buitenzijde van het perkamenten omslag. (Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, 0025 Oud-archief Eibergen, inv.nr. 116)
De buitenzijde van het perkamenten omslag. (Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, 0025 Oud-archief Eibergen, inv.nr. 116)

 

 

De binnenzijde van het missaalblad heeft gevouwen randen, waardoor niet altijd de tekst goed te lezen is. (ECAL, 0025, OA Eibergen, inv.nr. 116)
De binnenzijde van het missaalblad heeft gevouwen randen, waardoor niet altijd de tekst goed te lezen is. (ECAL, 0025, OA Eibergen, inv.nr. 116)

Misschien hoopte ik dat, omdat ik uit een andere bron weet dat het Eibergse misboek (missaal) al in 1572 door de plaatselijke schoolmeester in stukken gesneden was. Een inventaris uit dat jaar van de vicaris van het St.-Anna-altaar in de Eibergse parochiekerk,  Henricus Lembecke, maakt de desolate toestand van de tot de vicarie (en mogelijk ook van de kerk en parochie) duidelijk. Hij schrijft:

Item, dar ys noch eynen gueden kelck toe myt der pateenen [schaaltje waarop de priester de door hem te nuttigen hostie legt voor de consecratie]. Dat misseboeck ys versnedden durch unsen schoelmeysteren. Dye alve [lang wit gewaad voor de priester, te dragen tijdens de mis onder het kazuifel] dye karckmeysteren den koester to eyn rochelijn [overkleed, koorgewaad] gegeven. Dye alterlaeckenne mij heymelijck ontfremdet … van den altaar.  Dye myssegewaete van den woerm verteert. Dye gaerdynen ende dwelen [altaarhanddoek] myt dat behoerlijke iserwerck en wechgenaemen. Dye kerssenkandelers hebbe yck, Henricus, yn dye raedtkyste [archiefkist] doen sluyten. Item  daer synt noch twe wijnpullen sus lange tot den aversten altare [hoogaltaar] gebruyket, myt eyn kystken.’

Kortom, als er nog rooms-katholieke diensten plaatsvonden, dan kunnen deze niet veel meer hebben voorgesteld. De Lutherse Vrouwe van Borculo, gravin-weduwe Maria von Hoya, heeft na het overlijden van haar man, graaf Joost van Bronckhorst, heer van Borculo, in 1553, er alles aan gedaan om de op dat moment bestaande religieuze verhoudingen te handhaven. In de kerken van Borculo, Geesteren, Eibergen en Neede waren al vanaf de jaren ’30 van de 16de eeuw, Lutherse predikanten werkzaam. In de kerk van Eibergen was vanaf 1610 tot 1616 een geestelijke werkzaam, van wie met zekerheid gezegd kan worden dat hij rooms-katholiek was, namelijk Paulus Arresdorf, een familielid van de Münsterse wijbisschop Nicolaas Arresdorf. Deze familie had Grolse wortels. Na de Reformatie in Calvinistische zin, die in de Heerlijkheid Borculo in de maanden januari en februari 1616 plaatsvond, vertrok Arresdorf naar Laag-Elten om daar pastoor te worden.

Ook in een ander Eibergs archiefstuk heb ik al jaren geleden een met een Latijnse tekst beschreven snipper van een perkamenten blad gevonden, nl. in het protocol van de Hof te Vaarwerk in Olden Eibergen. Dat stukje perkament werd gebruikt voor de versteviging van de registerband. Het schrift vertoont zeer sterke overeenkomsten met de missaalrest. Voor mij een aanwijzing temeer, dat de missaalrest uit de Eibergse kerk afkomstig  is.

De beschreven snipper perkament in de registerband van de Hof te Vaarwerk. (Gelders Archief, Huis Verwolde)
De beschreven snipper perkament in de registerband van de Hof te Vaarwerk.  Het protocol of hofboek begint in 1602. (Gelders Archief, Huis Verwolde).

Ik kan natuurlijk niet bewijzen dat het bewaard gebleven blad afkomstig is uit het Eibergse missaal, maar ondenkbaar is het niet. Een kort onderzoek levert wel op dat het een blad betreft uit een (doden)misboek en dat het ook van vóór het Concilie van Trente (1545-1563) dateert. Dat blijkt bijv. uit de graduale inde 4e alinea in de rechterkolom van het binnenblad, waar staat: ‘Si ambulem in medio umbrae mortis non timebo in male: quoniam tu mecum es, Domine; virga tua et balacus tuus, ipsa me consolata sunt’.  Deze tekst werd volgens Robert Chase in het boek Dies irae: A guide to Requiem Music (2003), blz. 3, alleen gezongen vóór het Concilie van Trente. Een vertaling uit 1756 (‘Het Roomsch Misboek’, vol. 2, blz. 204) luidt:

‘Al wandele ik in ’t midden van de schaduwe des doods, zoo zal ik geen quadt vreesen: want gij, Heer, met mij zijt. Uwe stok en uwe staf, die vertroosten mij’.

De KBS-vertaling van de bijbel uit 1995 heeft:

‘Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang, want U bent bij mij: uw knots en uw staf geven mij nieuwe moed’ (Psalm 23).

De Oude Mattheus in Eibergen is het enige behoorlijk gaaf bewaard gebleven kerkgebouw in de voormalige Heerlijkheid Borculo. Het koor is het oudste deel (eind 15de eeuw), het schip, dat breder is dan het lang is, kwam in 1500 gereed, en de toren werd na 1544 gebouwd dan wel voltooid.
De Oude Mattheus in Eibergen is het enige behoorlijk gaaf bewaard gebleven kerkgebouw in de voormalige Heerlijkheid Borculo. Het koor is het oudste deel (eind 15de eeuw), het schip, dat breder is dan het lang is, kwam in 1500 gereed, en de toren werd na 1544 gebouwd dan wel voltooid.

Ook andere fragmenten verwijzen al dan niet meer of minder volledig naar Bijbelpassages, maar slechts zelden zijn er volledig overeenkomende tekstedities. Dat maakt plaatsing lastig. Mogelijk zijn er overeenkomsten met bewaard gebleven misboeken uit het bisdom Münster, waartoe de parochie Eibergen behoorde. Er is mede daarom nog wel wat onderzoekswerk te verrichten. Dat het blad uit het misboek uit de middeleeuwen stamt, is alleen al op grond van het schrift vast te stellen. Dat het een blad uit het door de schoolmeester versneden Eibergse misboek betreft, is op zich echter moeilijk te bewijzen. Argumenten zijn er wel: er is in Eibergen  een niet meer in gebruik zijnd misboek geweest, dat door de schoolmeester in of vóór 1572 is verknipt, vermoedelijk ten behoeve van hergebruik. En zo kan het als omslag in gebruik genomen zijn van het omstreeks 1609 aangelegde stadsregistertje. Zie ook dit blog. Voorts is het een misboek dat dateert van vóór het Concilie van Trente. Het kan dus heel goed in onbruik zijn geraakt vóór de melding van het versnijden in 1572. Verder was Eibergen een stadje, waar vermoedelijk alleen maar perkamenten boeken aanwezig waren in de kerk. Toen die in onbruik raakten als gevolg van de kerkhervorming in Lutherse zin (na 1530 in de Heerlijkheid Borculo) of als gevolg van het Concilie van Trente (minder aannemelijk, omdat die hervormingen slechts langzaam doorgevoerd werden en in Borculo stuitten op verzet van de Vrouwe van Borculo) konden ze voor niet-kerkelijke doeleinden in verknipte vorm  ‘hergebruikt’ worden, bijv. als omslag.

De huidige protestantse Oude Mattheuskerk van Eibergen, was vóór de reformatie in Calvinistische zin, in februari 1616, de rooms-katholieke parochiekerk van Eibergen. Na de Reformatie zijn de wandschilderingen, waaronder een complete apostelgalerij, onder de witkalk verdwenen, om in de jaren '70 van de vorige eeuw weer teruggevonden te worden. Let ook op de (alleen in het koor) aanwezige wijdingskruisen en de rijk uitgevoerde kraagstenen.
De huidige protestantse Oude Mattheuskerk van Eibergen, was vóór de reformatie in Calvinistische zin, in februari 1616, de rooms-katholieke parochiekerk van Eibergen. Na de Reformatie zijn de wandschilderingen, waaronder een complete apostelgalerij, onder de witkalk verdwenen, om in de jaren ’70 van de vorige eeuw weer teruggevonden te worden. Let ook op de (alleen in het koor) aanwezige wijdingskruisen en de rijk uitgevoerde kraagstenen.

Al met al beschikt Eibergen over een mogelijk uniek archiefstuk, dat een aanvulling vormt op de toch al rijke middeleeuwse resten in zowel de protestantse Oude Mattheuskerk (goed bewaard gebleven middeleeuwse kerk en wandschilderingen)  en de nabijgelegen nieuwe  r.-k. St.-Mattheuskerk (laatmiddeleeuwse houten  beeldenschat).

Voor meer informatie over het missaalblad, vragen e.d. houd ik mij uiteraard aanbevolen.

Naschrift
De Eibergse missaalrest, zoals het stuk inmiddels in de wandeling heet, is op Open Monumentendag, 10 september 2016, te zien in het Museum de Scheper, ingang aan De Hagen in Eibergen. Een gedeelte van de dag zal ik aanwezig zijn om tekst en uitleg te geven over het stuk en de achtergronden. Er is een doorlopende diavoorstelling (PowerPoint).
Ik beveel aan om aansluitend de tegenover het Museum liggende laatgotische Oude Mattheuskerk van Eibergen te bezoeken, de kerk waarin het missaal tot in de 16de eeuw gebruikt werd. Ook de r.-k. St.-Mattheuskerk is de moeite waard, in dit kader vooral vanwege de in die kerk aanwezige laatmiddeleeuwse beeldenschat.

Bennie te Vaarwerk

 

Archiefonderzoek

Enkele keren per jaar ga ik in het Nationaal Archief onderzoek doen. Ik doe dat al sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw. Maar toen was het een totaal andere beleving: je was druk met het opzoeken, aanvragen, wachten op de stukken en vervolgens met het lezen, maken van excerpten of transcripties. Soms liet je kopieën maken. Doodmoe ging je naar huis.

Het Binnenhof in Den Haag. Hier ondertekende Prins Willem V op 27 december 1776 de koopakte van stad en heerlijkheid Borculo.
Het Binnenhof in Den Haag. Hier ondertekende Prins Willem V op 27 december 1776 de koopakte van stad en heerlijkheid Borculo.

 

Nu is alles anders (behalve de vermoeidheid). Thuis doe je de voorbereidingen tot en met het aanvragen van de stukken. In het archief, waar strenge beveiligingsmaatregelen van kracht zijn, liggen de aangevraagde stukken dan klaar en kun je aan de slag. Ik lees de stukken ter plekke nauwelijks meer, maar maak des te meer foto’s. Het bezoek is vooral productiedraaien geworden. Thuis ga ik aan het werk en kan de gefotografeerde stukken beter bestuderen. Het mooiste is dat je nog originele stukken in handen krijgt. In die zin hoop ik dat archiefdiensten nooit de deuren helemaal zullen sluiten voor fysiek bezoek. Je moet er toch ook niet aan denken dat je alleen de Nachtwacht ziet vanachter je laptop. Bovendien, de historische sensatie zit hem toch in het in eventjes handen hebben van het originele stuk in al zijn schoonheid, onvolmaaktheid, gebreken en zelfs de geur. De band met de tijd zie je alleen in het origineel. Dat mocht ik ook nu weer ervaren. In de onder volgende fotocollage laat ik enkele documenten zien.

 

Archieven zijn ook, om maar eens een modewoord te gebruiken, ‘big data’ geworden. Met behulp van digitale of gedigitaliseerde informatie kunnen (en moeten) nieuwe vragen beantwoord worden en oude vragen opnieuw getoetst worden. De klassieke archiefinventarissen geven soms slechts beperkt weer van wat er in de archieven zelf gevonden kan worden. Een voorbeeld: in de archieven van de Wetgevende Colleges, formeel: de Wetgevende Colleges van de Bataafse Republiek en van het Koninkrijk Holland, 1796-1810, vindt men onder andere in  inventarisnummer 431 een pak rekesten (verzoekschriften) die door betroffenen/betrokkenen aan de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam waren gezonden naar aanleiding van de in de Staatsregeling van 1798 opgenomen afschaffing van heerlijke rechten, tienden en andere verplichtingen die uit de opgeheven feodale verhoudingen waren voortgekomen. De eigenaren daarvan vreesden inkomstenderving. Zij deden dus hun best hun rechten te bewijzen, ook met historisch materiaal, in afschrift of met originelen. Eén van die instellingen was het Stift Vreden, dat in de graafschap Zutphen en in Twente nogal wat bezittingen had, vooral bestaande uit hoven, hofhorige goederen, erfpachtgoederen, leengoederen en tiendcomplexen. De afschriften die het Stift meestuurde naar Den Haag gaan soms terug tot de 14de eeuw. Daarnaast zitten er 16de eeuwse originelen tussen. Kortom, het belang was groot en de tijdspanne die de bijlagen bestrijken was lang. Als onervaren onderzoeker verwacht je op grond van de beschrijving in de archiefinventaris deze rijke inhoud niet. Willen deze archieven ooit zinvol gebruikt kunnen worden als big data, dan zal er nog het nodige moeten gebeuren aan het nader toegankelijk maken. Onder de huidige omstandigheden zijn big data dus veel meer dan wat alleen op het internet te vinden is/toegankelijk gemaakt is. Een recent bericht maakt de betrekkelijkheid van big data op een andere manier duidelijk. Onlangs las ik een stuk waarin iemand op grond van op basis van een analyse van ‘big data’, in dit geval een vergelijking van luchtfotobestanden uit 1974 en 2015, meende te kunnen vaststellen dat het met de vermindering van de bossen, coulissen e.d. nog wel mee viel. Dank je de koekoek, zou ik zeggen, in 1974 was de klassieke ruilverkaveling op of net over zijn hoogtepunt. Zouden luchtfoto’s vanaf 1934 gebruikt worden (en gedigitaliseerde topografische kaarten), dan zou het beeld geheel anders zijn. Het is maar wat je wilt vergelijken (en/of horen!).

Al dat archiefonderzoek maakt mijn kennis over de geschiedenis van stad en heerlijkheid Borculo overigens steeds betrekkelijker: hoe meer ik zie, hoe minder ik weet. En het besef wordt ook steeds groter dat er (veel) meer bewaard is gebleven dan je op grond van de klassieke archiefinventarissen en zelfs het internet kunt vermoeden. Voorlopig blijft het leuk!

Bennie te Vaarwerk

‘Grovenbier’ en belastingheffing: leuk was het al niet en het werd nog erger

Op 7 januari 1762 benoemde de heer van Borculo, graaf Georg Detloff, rijksgraaf van het Heilige Roomse Rijk Von Fleming, Jan Lodewig Harting tot inzamelaar (‘collecteur’) van de belastingen op het gebrouwen bier in de dorpen Geesteren en Gelselaar. In het bijzonder werd zijn taak:

‘Hij zal vlijtig en sorgvuldig daerop letten, dat geene tapper binnen voorschreven dorpen in haere huysen eenige bieren mogen inbrengen en vertappen voor en aleer zij desen accij[n]s, namentlijk voor ieder vat bier drie stuyvers en vier duyten aen hem betaelt hebben’.

Maar kennelijk kwam het ook voor, dat er caféhouders waren die bier hadden ingekocht, zonder daar van tevoren belasting over betaald te hebben. ‘Sonder oogluykinge’ of een akkoord met de overtreder te sluiten, moest de belastinginner zich dan vervolgens ‘exactelijk informeren hoeveel tonnen of vaten het geweest’ waren, en daarvan onmiddellijk aangifte te doen bij de advocaat-fiscaal (officier van justitie, aanklager) en bij de rentmeester van de heerlijkheid, zodat er naar behoren opgetreden kon worden.

Maar al op 17 januari 1762 leverde Harting, die in Geesteren woonde,  zijn aanstellingsakte in onder de mededeling af te zien van zijn taak, ‘om reden dat hij daardoor alle de Geestersen inwoonders sigh tot vijanden maakte’. Waarom dat zo gekomen was, blijkt uit de aanstelling van zijn opvolger, Alexander Hartgerink, die al op 18 januari benoemd werd. Hartgerink pakte het slimmer aan en liet dat ook vastleggen. Hij wenste niet bij een ‘te doene visitatie’ aanwezig te zijn en beloofde in plaats daarvan elk kwartaal een lijst van overledenen en begrafenissen  door te geven, om op basis daarvan een lijst van het geconsumeerde bier op begrafenissen (‘groevenbieren’) te kunnen maken en vervolgens de belasting te innen. Het ongemak van een belastinginner aanwezig tijdens begrafenissen werd hiermee omzeild. Dat er flink gedronken en gegeten werd bij begrafenissen, was een oud, wijd en zijd verbreid en moeilijk uitroeibaar gegeven. Een mooie gelegenheid dus om de kas te spekken, maar wel met tact.

De wacht op Huis Borculo

Inwoners van Stad en Heerlijkheid Borculo hadden talloze verplichtingen ten opzicht van hun heer. Eén daarvan was de wacht op het Huis Borculo. Een onderdeel daarvan was de bewaking van gevangenen op het Huis. Met het regelen van de wacht was de voogd van Geesteren belast. Het voogdijschap van Geesteren was van oudsher gecombineerd met de functie van Huisvoogd. In die hoedanigheid regelde hij de diensten op het Huis Borculo en was hij een belangrijk functionaris bij de tenuitvoerlegging van vonnissen van het Hooggericht, dat over criminele zaken oordeelde.
In 1748 ontstonden er enige problemen, toen zes personen uit de voogdij Eibergen bij gedeputeerde staten van het Kwartier van Zutphen een klacht indienden over de in hun ogen forse verzwaring van de wacht op Huis Borculo. Volgens de klagers was het tot dan toe gebruikelijk dat bij een gevangenneming vier personen werden opgeroepen (‘gebadet’) om de wacht te komen doen. Maar de gevolmachtigde van de Heer van Borculo, G.A. von Schleussing, die woonde op de Hoeve bij Borculo, had besloten 12 man op te roepen, hetgeen de taak driemaal verzwaarde. Omdat veruit de meeste ingezetenen er een boerenbedrijf op na hielden, ging deze stap te ver, zeker in het hoogseizoen. De klagers gaven ook aan ervoor beducht te zijn dat dit ook het begin zou kunnen zijn van verzwaring van andere dienstverplichtingen. Natuurlijk werd ook toen al een nader onderzoek ingesteld. Alleen de voogd van Eibergen antwoordde. Het bleek dat van de 222 huizen in de voogdij Eibergen er slechts 64 waren op welke de plicht tot het doen van de wacht op het Huis Borculo (nog) rustte. Dat zullen er oorspronkelijk meer geweest zijn, maar die hebben zich mogelijk vrijkocht in de loop van de tijd. In de buurschap Rekken, met 92 huizen, was geen enkel huis verplicht tot de wacht. Het maakte de last voor de overgebleven erven natuurlijk wel zwaarder. Maar of het protest wat uitgehaald heeft, valt niet te zeggen bij ontbreken van vervolgstukken. Wel daalde het aantal tot de wacht verplichte huizen niet of nauwelijks. In 1787 waren er dat in de voogdij Eibergen nog 67, In Neede 64, in Beltrum 119 en in Geesteren 172. De inwoners van de dichtbij gelegen voogdijen konden het snelst aanwezig zijn. In 1787 werd de lijst opnieuw vastgesteld door de Nassause Domeinraad, naar aanleiding van een geschil tussen de huisvoogd Veldink en de voogd van Beltrum. Die lijst uit 1787 heb ik al eens eerder gepubliceerd, maar wordt vervangen door de onderhavige.
In het dossier in het archief van de Nassause Domeinraad  zijn meer stukken geplaatst, die daarin eigenlijk niet thuishoren. Het zijn stukken die betrekking hebben op militaire zaken en inkwartiering in de heerlijkheid Borculo. Voor de volledigheid zijn de stukken toch in de bijlagen opgenomen.

Bijlagen:
1.  ‘Register voor den wachtmeister, 1676, Nede’;
2. Rekest van IJan te Leugemorsz, Garrit ten Holshof, Coenrad Reijmelinck, Roeloef Temmynck, Derck Temmynk, Jan te Bals, 3 oktober 1748
3. Antwoord van de plaatsvervangende rentmeester van Borculo op genoemd rekest, 4 november 1748.
4. Stukken betreffende de inkwartiering in Eibergen van een regiment Hessische soldaten, en van een compagnie Huzaren in Rekken, 1788;
5. Stukken betreffende een uitbetaling  van een vergoeding aan de voogden ten behoeve van degenen die ‘geduirende de veertien eerste nagten vuer en ligt aen de stille wagten gefourneert hebben’, 13 juni 1763;
6. Besluit van de Nassause Domeinraad, houdende de vaststelling van de wachtlijst van de vier voogdijen van de Heerlijkheid Borculo, 4 maart 1787. Met bijlage:
7. ‘Lijste van de wachten of van degeene soo op ’t Hoff te Borculo moeten waken’[1787]

De lijsten en verdere stukken zijn hier te vinden.

bennie te vaarwerk