Stad en Heerlijkheid Borculo
Stadsrekeningen Borculo
 
Home       Nieuws       Sitemap        Gebied        Geschiedenis       Inventarissen       SSHB         Links        Contact     Index
Inhoud:
  • Rekening over 1602
  • Rekening over 1603
  • Rekening over 1606
  • Rekening over 1607
  • Rekening over 1609
  • Rekening over 1610
  • Rekening over 1612
  • Rekening over 1613
  • Rekening over 1614
  • Rekening over 1616
  • Rekening over 1618
  • Rekening over 1672-1673
  • Rekening over 1700
  • Rekening over 1777

Geschiedenis van de stad Borculo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stadsrekeningen zijn voor de plaatselijke geschiedenis een rijke bron van informatie. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, zijn de stadrekeningen allerminst saai. Sommige posten in zo'n oude rekening zijn verhaaltjes op zich. Zo lezen we in de eerste post van de stadsrekening over 1616, dat 26 jaar na de fatale stadsbrand de Vaeckespoort nog steeds niet was herbouwd en daarom geen inkomsten genereerde. Ze leveren ook veel informatie op over de dagelijkse gang van zaken in het bestuur van de stad, wie de bestuurders waren, wie de dienaren en van wie de stad producten afnam, de winkeliers (die een vensterbelasting moesten betalen) alsmede over het netwerk van de stad(sbestuurders) en de verhouding tot de stadsheer. Genealogisch zijn ze ook interessant.
De oudst bewaarde stadsrekening van Borculo dateert uit 1602. Mogelijk zijn door de stadsbrand van 1690 oudere archiefbestanden verloren gegaan. Er zijn geen aanwijzingen dat het Munsterse bestuur ook de archieven van de stad Borculo na inbezitneming van het bestuur over Borculo in 1579/1580 overgebracht heeft naar Münster, zoals dat in iedere geval deels met de heerlijkheidsarchieven is gebeurd.

Het rekeningjaar van de stad Borculo liep tot en met 1778 vanaf Driekoningen tot Driekoningen. Dit hing samen met de benoeming van het stadsbestuur op de eerste zondag na Driekoningen. Vanaf 1779 vond de jaarlijkse aanstelling plaats op de eerste woensdag in april.

Waaruit bestonden de inkomsten van de stad?

  • uit verpachtingen (delen van openbare gebouwen, huizen, grond, weiderecht)
  • uit verpachting van de tol (Lebbenbrug)
  • verpachting van de Lebbenbrug
  • aanzuivering van het tekort op de stadsrekening van het voorgaande jaar door de rentmeester, indien die rekening met een tekort afgesloten was
  • verpachting van belastingen ("accij(n)s")
  • jaarlijkse vrijkoop van de verplichting tot het houden van de wacht
  • Incidentele inkomsten: verwerving burgerrecht en het onderhoud daarvan (zie Bronnenpublicatie nr. 5, eerste deel).

De uitgaven bestonden uit:

  • Bouw en onderhoud van openbare gebouwen (stadhuis, school, bruggen, poorten, wachthuizen), stadverdedigingswerken (wallen en grachten); wegen
  • Loon en kleding stadswachters, stadsdienaren etc.; salaris burgemeesters (omstreeks 1777 niet meer dan 7 gulden per jaar!)
  • Onderhoud van de afrasteringen ("tuenen") op de buiten de stad gelegen stadsweiden
  • Reis- en verblijfkosten
  • Giften op hoogtijdagen en verteringen bij bijzondere gelegenheden, alsmede contacten met het Hof
  • Incidenteel: kosten van inkwartiering van soldaten; ondersteuning "buitenlandse" armen (voor de burgerlijke armen was er de Provisorie of het Gasthuis; voor de gereformeerde armen de diaconie).

Wat treft men meestal niet in de rekeningen aan:

  • aan- en verkoop van onroerend goed
  • het sluiten en royeren van geldleningen ('obligaties')

Verantwoordelijkheid voor de stedelijke financiën
De vier burgemeesters en de acht voor het leven benoemde gemeenslieden waren verantwoordelijk voor de stedelijke financiën. Een gecontroleerde ("afgehoorde") door de rentmeester opgemaakt jaarrekening werd dan ook door hen allen na vaststelling ondertekend. Van de rekeningen werden tenminste twee exemplaren opgemaakt, waaronder één voor de heer van Borculo en één voor het stadsbestuur. Stadsrekeningen kan men dus aantreffen in het stadsarchief en in het heerlijkheidsarchief.
De stadsrentmeester, die evenals de burgemeesters door de heer werd benoemd, voerde de stadsadministratie. Hij moest jaarlijks, in de dagen voorafgaand aan de aanstelling van het nieuwe stadsbestuur verantwoording van zijn financieel beheer afleggen aan de vier burgemeesters en de acht gemeenslieden. Deze laatsten werden overigens benoemd door de burgemeesters en zijn te beschouwen als de vertegenwoordigers van de burgerij in het stadsbestuur.

Rentmeesters:

  • Hendrick Kock, 1602
  • ... Kallenkamp, 1603
  • Derick Paschius, 1606-1607
  • Zeyno Meijling, 1609-1610
  • Gaert Marquerinck, 1612, 1623
  • Geryt Kuyper, 1613
  • Goevert Bartolomeussen, 1614-1616
  • Onbekend, 1618-1619, 1628
  • Wilhelm Kalenkamp, 1622
  • Harmen Gerverdinck, 1626
  • Willem Marquerdinck, 1627, 162-1632
  • Henrich van Eijll, 1635-1636
  • Rolof Vith, 1637-1640
  • Berendt Marquerinck, 1645-1646
  • Rudolph Stapelbroeck, 1649
  • Jan Stapelbroeck, 1650-1662
  • Oswaldus Buck, 1667
  • Wijnnolt Broeker, 1668-1674
  • Peter Spancker, 1675-1677, 1685-1690
  • Bernard Umbgrove, 1678-182
  • Geerlich Cappers, 1683-1684, 1693
  • Albert Muyderman, 1697-1704
  • Henrick van Klinckenberg, 1705-1722, 1729
  • Hendryck Gerverdinck, 1722
  • Albregt Moiderman, 1726-1728
  • Hendrick ter Maedt, 1730-1735
  • Garh. Theger, 1736-1747
  • Pieter Harmsen, 1748-1754
  • Hendrik te Harkel, 1755-1759, 1761-1768
  • Jan Cramer, 1760
  • Johannis Prior, 1769-1781
  • Godfried Leefers, 1784-1796
  • A. Meilink, 1799-1810

Over de transcripties
De originele rekeningen berusten meestal in het stadsarchief van Borculo, aanwezig in het Streekarchivariaat Regio Achterhoek te Doetinchem (zie inventaris). De rekeningen bestrijken de periode 1602 tot en met 1810 (met hiaten). De oudste rekeningen zijn deels in een slechte materiële toestand overgeleverd, waardoor delen zijn weggevallen of niet meer leesbaar zijn.
De transcriptie moet altijd met het origineel vergeleken worden. Maar dit is de verantwoordelijkheid van de onderzoeker/gebruiker.