Inhoud:
Heerlijkheid
Verhouding tot de stad Borculo
Heerlijke rechten
Grondbezit
Kaart van het
gebied
Het kerngebied
De oudste kern van het gebied van de heren van Borculo moeten het slot in
de buurschap Borclo en veel bezittingen in de naastgelegen buurschap
Dijcke of Dijkhoek zijn geweest. Op grond van dertiende eeuwse gegevens
moeten zij ook zeer gegoed zijn geweest in Groenlo. Toen heer Hendrik van
Borculo de "villa" Groenlo in 1236 verkocht aan de graaf van Gelre,
behoorden er toe: de hof te Groenlo, de watermolen en de gruit aldaar. De
bezittingen en rechten in Eibergen en Neede werden waarschijnlijk later verworven.
"Menschen van toverije beschuldigt".
Zeer bijzonder was een interpretatie van het recht van water uit 1736:
Ën uyt hoofde van eygendom van 't water hebben de Heeren van Borkelo
dikwils 't gebruyk van water op eene recognitie [vergoeding] toegestaen
aen menschen van toverije beschuldigt en die door dat middel haer
onschuldigheyt versoeken te mogen toonen".
Literatuur:
A.S. de Blécourt, "Heerlijkheden en heerlijke rechten". in: Tijdschrift
voor Rechtsgeschiedenis, deel I (1918-1919);
J.Ph. de Monté Ver
Loren, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de
Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse Omwenteling (Deventer 1982);
F.C.J. Ketelaar,
Oude zakelijke rechten vroeger, nu en in de toekomst (Leiden/Zwolle
1978)
Over het leenstelsel:
Gerhard Theuerkauf, Land und Lehnswesen vom 14. bis zum 16. Jahrhundert.
Ein Beitrag zur Verfassung des Hochstifts Münster und zum
nordwestdeutschen Lehnrecht (Köln 1961);
W.A. Beelaerts van
Blokland, De praktijk van het leenrecht in Gelderland (Leiden 1910) |
Wat was een heerlijkheid?
Het begrip "heerlijkheid" werd in 1919 door A.S. de Blécourt het begrip
heerlijkheid als volgt gedefinieerd:
"Heerlijkheid is een stuk overheidsgezag, dat men niet als ambtnaar en dus
niet als ondergeschikte uitoefent, maar dat men als eigen erfelijk recht,
zij het oog gemeenlijk in leen, heeft."
Onder "stuk overheidsgezag" kan er ook
de jurisdictie of regeer-macht, in de zin van wetgeving, bestuur en
rechtspraak verstaan worden.
Heerlijkheid kon men in leen bezitten of allodiaal, dat wil zeggen niet op een
leenverhouding gebaseerd. De heerlijkheid Borculo was vóór 1379 al een
leen van de vorstbisschop van Munster in Westfalen. De heer van Borculo
was leenman van de vorstbisschop van Munster. Deze was op zijn beurt
leenheer. Telkens als een leenman overleden was, moest zijn opvolger zich
binnen een bepaalde tijd zich melden bij de leenheer en opnieuw om
belening ("verheffing") vragen. En ook al ging het in Borculo om een
betrekkelijk groot gebied, de omschrijving van het leen was summier. In de
leenakten, waarin op perkament werd vastgelegd wat er afgeproken was, werd
meestal volstaan met een paar volzinnen. De kern daarvan was dat de
leenheer zijn leenman beleende met het slot, de stad (het wigbold) en de
gehele heerschap (een oud woord voor heerlijkheid) Borculo.
In de tweede plaats heeft heerlijkheid betrekking op het gebied waar dat
overheidsgezag werd uitgeoefend.
Wanneer er dus gesproken wordt over de heerlijkheid Borculo, dan hebben we
het over het gebied en het overheidsgezag dat over dat gebied door de heer
werd uitgeoefend.
Hulde en manschap
Wat de leenman voor de verwerving van het leen betaalde is helaas niet
bekend, maar gebruikelijk was dat hij de leenheer een heergewaad -
krijgsuitrusting - schonk. Bovendien moest de leenman een eed van trouw
afleggen. Hij moest zijn leenheer huldigen.
Omgekeerd beloofde de leenheer zijn leenman bescherming.
Hulde met de ledige hand
Als de leenheer gestorven was, moesten de leenmannen bij zijn opvolger opnieuw om verheffing
van het leen verzoeken. In zulke gevallen was het gebruikelijk dat
de
betaling van
het
heergewaad achterwege bleef. De leenman deed, zoals dat heette, "hulde met
de ledige hand". Hij legde wel de eed van trouw af.
Verhouding tot
de stad Borculo
Omdat de stad Borculo in de rechtspraak voor een deel onafhankelijk was
van de heer - dus een eigen rechtsgebied bezat - spreken we over stad en
heerlijkheid Borculo. Het heerlijk gezag over de stad was beperkt, maar
doordat de burgemeesters benoemd werden door de heer, kon hij een grote
invloed uitoefenen op het bestuur en rechtspraak van de stad Borculo. De
burgemeesters van Borculo waren tevens schepenen (bijzitters,
scabini of keurnoten) in het
landgericht.
Heerlijke
rechten
De kern van het overheidsgezag van een heer was het recht om de vierschaar
te leiden. Bestuur en rechtspraak waren niet gescheiden (dat is een
verworvenheid van de Franse Revolutie van 1789 (1795).
De heer van Borculo had het recht om doodvonissen te mogen vorderen en uit
te voeren. Een heerlijkheid die dit "halsrecht" bezat werd wel een "hoge
heerlijkheid" genoemd. Borculo was ook een hoge heerlijkheid. De heer was
niet alleen de belangrijkste bestuurder, maar ook de hoogste rechter. In
de late 14e eeuw kwam de leiding van de rechtspraak in handen van een
richter en een drost. Beiden hadden een ambtelijke status en werden door
de heer aangesteld. In de praktijk was de drost de hoogste ambtelijke vertegenwoordiger van de heer en bovendien
degene die in criminele processen (waar lijfstraffen gevorderd konden
worden) de terechtzitting voorzat, het vonnis vorderde en tenslotte de
executie van het vonnis leidde. De richter zat het stads- en landgericht voor,
met de burgemeesters van Borculo als schepenen. Het stadsgericht vonniste
in vrijwillige, civiele en geringe criminele zaken (waarbij geen bloed
gevloeid had) in het stadsrechtgebied van Borculo (stad Borculo en
schependom Dijcke of Dijkhoek). Het landgericht was competent voor de
overige rechtszaken van het platteland van Borculo. de loop van de eeuwen is de rechtspraak enkele
malen gewijzigd, maar daarover later meer.
Een heer beschikte in de regel ook over tal van andere heerlijke rechten,
die ten dele niet oorspronkelijk waren:
- het
tiendrecht: het recht om tiende delen van de opbrangsten van gewassen of
van vee te innen;
- het
jachtrecht: het recht om met uitsluiting van anderen (bijv. de bewoners
van het gebied) in een bepaald gebied te mogen jagen;
- het
wildernisregaal: recht op de woeste gronden, maar ook de novale tiende,
die de heer mocht heffen van de opbrengsten van nieuw ontgonnen gronden.
Op grond van dit recht kon de heer het markenrichterschap in de meeste
Borculose marken erfelijk in handen krijgen.
- het
patronaatsrecht: het recht om iemand ter benoeming tot pastoor bij de
bisschop voor te dragen of - na de Reformatie - de voordracht van een
predikant aan de Classis;
- het recht van
water en wind, w.o. het (alleen-)recht om water- en windmolens te stichten, al dan niet met de
verplichting van de ingezetenen om er hun graan te doen malen (dwangmolens).
Grondbezit
Naast deze belangrijke rechten die zich over het gehel grondgebiedvan de
heerlijkheid uitstrekten, bezat de heer van Borculo talloze goederen.
Slechts een deel daarvan heeft deel uitgemaakt van het goederenbezit dat
oorspronkelijk bij het leen hoorde. Welke goederen dat zijn is (nog) niet
eaxct uit te maken. In de loop van de eeuwen wisten de heren van Borculo
door huwelijkspolitiek en andere meer of minder legale methoden hun
grondbezit uit te breiden. Voorbeelden hiervan zijn:
- de Hof te
Neede, die een bezit was van het Munsterse klooster Overwater (Überwasser
of Maria Transaqua), werd door de heren van Borculo erfelijk in pacht
verworven;
- de Hof Odink
in Rekken met het daaraan verbonden erfmarkerichterschap , die zij
wisten te verwerven door het huwelijk van een van hen met Agnes van
Solms, dochter van de heer van Ottenstein. Met dit huwelijk kwamen ook
tientallen leengoederen in handen van de Van Bronkhorsten. Deze goederen
werden later steeds vermeld als "Solms leen".
- De hof te
Mallem, oorspronkelijk een leen van de bisschop van Utrecht, wisten zij
ook erfelijk in bezit te krijgen, waarna het omgezet werd in een
Borculo's leen;
- De hof te
Vaarwerk in Olden Eibergen, die in de 16e eeuw via het geslacht Van
Wisch vererfde op de familie Van Limburg Stirum. Toen graaf Joost van
Limburg Stirum in 1616 Borculo in bezit kon nemen, kwam ook deze
oorspronkelijk Vredense hof onder het beheer van het Borculose domein;
- Ook door
aankoop of ruil moet het bezit uitgebreid zijn: de hof te Lintvelde, in
het begin van de 13e eeuw een bezit van het kapittel van Sint Jan in
Utrecht, kwam in de 16e eeuw in het bezit van de heer van Borculo;
- Nog later
werden aangekocht de havezathen Merveld of Borg in Rekken en De Hoeve in
het schependom van Borculo.
|