|
Inhoud
De
locatie van het kasteel
Plattegrond van het
kasteel omstreeks 1640
Nieuw- en verbouw ca.
1640
Verkoop, ondergang en sloop, ca. 1760
Het "tweede kasteel".
De donjon
Toen
zich in augustus 1993 een gelegenheid voordeed het fundament van het donjon op te
graven, was dit het resultaat: de donjon - de grote verdedigingstoren -
bevond zich gedeeltelijk onder de kelders van het ca. 1760 gebouwde kasteel.
Dit resultaat bleek een bevestiging te zijn van de informatie uit de
archieven, namelijk dat het oude kasteel tot op de grond toe was gesloopt.
Doordat de muurresten aan weer en wind blootgesteld waren, bleek langdurige
tentoonstelling niet mogelijk. Na enkele jaren werd de put weer dicht
gemaakt. De contouren van de donjon zijn sedertdien weergegeven in het
straatplaveisel.
Uit de opgraving bleek dat de donjon gefundeerd was op brokken ijzeroer.
De bestaande kelders
Plattegrond
van de (in wezen nog bestaande) kelders van het kasteel Borculo. Toen
er in 1813 plannen waren de keizerlijke stoeterij te Borculo, die sinds 1806
gevestigd was op het Hof aldaar, fors te verbouwen, werd voor het eerste een
nauwkeurige plattegrond van de kelders gemaakt. Toen keizer Napoleon in
oktober-november een zware nederlaag bij Leipzig leed, betekende dat het
einde van zijn rijk en dus ook van de plannen met betrekking tot de haras
impériale in Borculo. De directeur vluchtte met medeneming van de hengsten
en de verbouwplannen naar Frankrijk. De stoeterij werd voortgezet in Le Pin
in Normandië. In Borculo werd het complex pas in 1820 weer in gebruik
genomen als Rijksstoeterij.
|
Inleiding
Nog altijd spreekt het Hof of kasteel Borculo tot de verbeelding. En dan vooral het
kasteel zoals dat bekend is van tekeningen zoals linksboven. Nog steeds
geloven veel Borculoërs dat dit kasteel pas in 1870 is afgebroken. Maar
niets is minder waar. Er zijn tekeningen uit d e achttiende eeuw die een
sterk verval van de Hof laten zien.
En op een Berkelkaart van Ravenschot (afbeelding) uit 1763 is een geheel andere plattegrond
van het kasteel te
zien. Inmiddels is bekend dat het grote kasteel omstreeks 1760 geheel
gesloopt is en plaatsmaakte voor een kleiner L-vormig gebouw, waarop nooit
meer een heer van Borculo geresideerd heeft. Voor het gemak wordt dit
kasteel het tweede kasteel genoemd. Het eerste kasteel heeft trouwens ook
niet langdurig dat statige uiterlijk gehad. Het heeft als zodanig bestaan vanaf
ca. 1640 tot ca. 1760.
De locatie van het kasteel Borculo
Waarom zou iemand in Borculo een kasteel bouwen ? Daar zijn wel enkele
zeer goede redenen voor te bedenken. Ten eerste was het noodzakelijk dat de
natuurlijke omgeving de mogelijkheden bood er een verdedigbaar kasteel te
bouwen. De omgeving van het kasteel werd omstreeks 1645 nog beschreven als
zeer moerassig en maar moeilijk in cultuur te brengen. Die situatie zal enkele eeuwen eerder
zeker niet wezenlijk anders zijn geweest.
Goed verdedigbaar was het dus wel. Daarbij komt nog dat het kasteel gebouwd
werd in een omgeving waar enkele kleinere waterlopen stroomden, namelijk de
benedenloop van de Lerinkbeek of Grolse Slinge en de Hieminkbeek. De
slotgrachten konden dus voorzien worden van voldoende water. Deze Grolse
Slinge, die op oude kaarten aangeduid wordt als de (oude) Grolse Beek, is
oorspronkelijk de bovenloop van de Berkel geweest. Vanuit de
geomorfologie is er niet veel aanleiding te veronderstellen dat het kasteel
aan de Berkel werd gebouwd. Die liep in de twaalfde eeuw nog vanaf Olden
Eibergen door de Bolksbeek richting noorden en noordwesten, dus ver om
Borculo heen. Een nieuw kanaal tussen Haarlo en Borculo verbond de oude
bovenloop van de Berkel met de benedenloop van de Grolse Slinge. Dat kon
alleen succesvol gebeuren als er een stuw in de Bolksbeek werd geplaatst, de Avinksluis
(die wel zo genoemd werd, maar vermoedelijk altijd een stuw is geweest),
die het water dwong de richting van Borculo op te gaan. De motieven van de
vergraving kunnen uitsluitend gelegen hebben in verbetering van de
verdedigingsmogelijkheden van het kasteel Borculo. Een rol als handelsverkeersweg voor
de scheepvaart was toen nog uitgesloten. De pogingen om de Berkel bevaarbaar
te maken gingen pas in de 17e eeuw uit van de steden Zutphen en Lochem. Er is ook een
relatie gelegd met de bouw van de Borculose watermolen, begin 16e eeuw, maar
dat lijkt onwaarschijnlijk. De Berkel liep al door Borculo.
Een tweede factor is de ligging, namelijk halverwege de toenmalige regionale
machtscentra Zutphen (in opkomst) en Vreden/Lohn (op het hoogtepunt van de
bloei).
Een derde factor, die weliswaar minder zwaar weegt, maar wel opvalt, is
dat het kasteel stond in een hoek waar de grenzen van drie kerspelen bij
elkaar kwamen: Groenlo (met de Dijkhoek), Eibergen (met Haarlo, de Waterhoek
en het kasteel Borculo) en Geesteren (met het gebied van de latere stad
Borculo). Een soortgelijke situatie bestond ook in Bredevoort, dat kerkelijk
bij Aalten behoorde, terwijl het slot bij de parochie Winterswijk hoorde.
De vierde factor is af te leiden uit de ontwikkelingen in de regio. Ten
westen van Borculo bezat de graaf van Gelre en Zutphen de regio rond Zutphen
en Lochem. De graaf van Gelre deed in de twaalfde en dertiende eeuw pogingen
om zijn invloed in de randgebieden van het graafschap Zutphen uit te breiden.
Daarvoor kwamen met name verschillende Munsterse kerspelen in aanmerking,
zoals Zelhem, Hengelo en later Groenlo en Bredevoort. Aan de noordzijde was
de bisschop van Utrecht actief. Na de verwerving van Twente in de 11e eeuw,
bleven er aan de zuidzijde enkele kleinere heerlijkheden over: Diepenheim en
Haaksbergen. Wellicht onder invloed van de stad Deventer, werden deze
heerlijkheden in de 14e eeuw door de bisschop ingelijfd. Aan de oostzijde
was de bisschop van Munster actief. Deze verwierf de heerlijkheden Ahaus en
Ottenstein en het graafschap Lohn. Voor zover bekend heeft Utrecht geen
pogingen gedaan om Borculo te verwerven, maar de graaf van Gelre was er wel
actief, wellicht om zijn graafschapse - lees Zutphense - invloed te
vergroten. De graaf verwierf in 1236 de Borculose nederzetting Groenlo, die
daardoor een Gelderse enclave binnen de heerlijkheid Borculo werd. Borculo
was in ieder geval vanaf 1360 een Munsters leen (oudere leenboeken zijn er
niet). Er is geen reden om eraan te twijfelen dat het eerder anders was.
Het meest waarschijnlijk is toch dat het kasteel Borculo gesticht is door de
vorstbisschop van Münster. De bouw is echter geen reactie geweest op de
ambities van de graaf van Zutphen in de heerlijkheid Borculo, want deze
dateren, voor zover bekend, uit later tijd. Het kasteel moet al in de 12e
eeuw (omstreeks 1150) bestaan hebben. Afgezien van een poging in 1245 om meer invloed in de kerspelen Eibergen, Neede
en Geesteren te krijgen (het kerspel Borculo bestond nog niet) en vermoedelijk de
verwerving van leengoederen (Beltrum/Geesteren) in de veertiende eeuw, heeft de graaf van
Zutphen
geen verdere pogingen ondernomen om de heerlijkheid aan zijn gezag te
onderwerpen. Toen in 1360 Gijsbert van Bronkhorst trouwde met de Borculose
erfdochter Henrik(a) van Borculo-Dodinkweerde, kreeg het Munsterse Borculo een
duidelijke Zutphense rand. Het knappe van de politiek van de heren van
Borculo uit de huizen Van Borculo en Van Bronkhorst is geweest dat zij met
beide naburige grote landsheren een goede relatie hebben weten op te bouwen
en te onderhouden, waardoor de heerlijkheid Borculo als enige van de
heerlijkheden in deze streek relatief zelfstandig is gebleven. In de 15e
eeuw kwam dit tot uiting in de vorm van een eigen Borculose ridderschap en
belastingheffing door de heer van Borculo. De heerlijkheid bleef tot 1616
een achterhoek in het vorstbisdom Munster en daarna van de graafschap Zutphen.
De vorstbischoppen van Münster vielen hun vazallen in Borculo niet lastig,
zolang die de leenband met Münster maar erkenden en onderhielden. Problemen
ontstonden pas na 1553, toen graaf Joost van Bronckhorst, heer van Borculo
overleed.
Plattegrond van het kasteel omstreeks 1640
De
plattegrond van de stad Borculo met het Hof hiernaast dateert uit ongeveer
1640, van vóór de grootscheepse verbouwing door graaf Herman Otto van
Limburg Bronkhorst. De plattegrond geeft nog een rechthoekig huis te zien
met vijf torens. De uitstulping rechtsonder moet de donjon, de grote
woontoren, geweest zijn. Het Hof was geheel door een gracht omgeven. Na 1640
is dat toch wat anders geworden, zoals de afbeelding linksboven laat zien.
De verdediging van in de Middeleeuwen gebouwde kastelen was toen niet meer
effectief. Het Hof kreeg, naar de mode van de tijd, ook de functie van
lusthof met een passende tuin. De vele waterlopen in Borculo kunnen niet
allemaal een verdedigings-functie hebben gehad. Ze hebben waarschijnlijk
gefunctioneerd als waterafvoer van het op zich vlakke
en daardoor natte gebied. Vergelijk het
maar met een polder.
Grootscheepse nieuwbouw- en verbouwwerkzaamheden
omstreeks 1640
In de heerlijkheidsrekening over 1641 is sprake van
de "Borckelosche timmeragie". Uit de posten blijkt dat "karreman", voerman,
Jan Baeck op 28 augustus van dat jaar de "golde leermaker" naa Borculo heeft
gebracht. Het blijkt dat de bouw/verbouwing zekers al sinds 1639 volop aan
de gang was, gelet op een post voor de Zutphense glazenmaker. Uit Amsterdam
kwamen 120 "balckdelen", die per schip naar Zutphen waren vervoerd van
vandaar naar Borculo waren gebracht. Hendrick Lievers kreeg 36 gulden
uitbetaald voor twee "vogelkouwen", die in Borculo waren gebouwd. Dat er
sprake was van een echt hofleven, blijkt ook uit de betalingen aan de Franse
kok, Andries de Buyre, de tuinman ("gardenier"), Bartelt Straetman, en
talloze stalknechten, keukenhulpen en meiden. Later is overigens ook sprake
van een gardenier Van Rhenen, die ook op kasteel Eerbeek werkte. Het was
overigens niet zo dat alle aandacht naar Borculo ging. Ook de huizen van de
familie in Zutphen werden flink onder handen genomen. In november 1641 komen
uitgavenposten voor, o.a. voor het bepleisteren van de "holttoorn" en de
nieuwe bottelarij, aanvoer van stenen vanuit Deventer over de Schipbeek via
Gelselaar-Geesteren naar Borculo. De Schipbeek was dus belangrijker voor het
vrachtvervoer dan Borculo's eigen Berkel. In januari 1642 worden zelfs ruim
57.000 stenen over de Schipbeek naar Gelselaar gevoerd. Er vindt in die tijd
een grootscheepse verbouwing of nieuwbouw plaats. Er wordt geld uitgegeven
aan estrikken (vloertegels), haardstenen en nieuwbouw van een stal, bak- en
brouwhuis op het Hof alsmede voor een nieuwe poort en bruggen. Het kon niet
op: aan de reis van "haer graeflijke genaden"(twee dochters van de heer van
B.) naar Frankrijk (Parijs), werd maar liefst 4.000 gulden besteed. Het was
geleend geld. De familie leefde toen al boven de stand. Ook werd in januari
1214 gulden betaald
"aen de goudeleermaker tot Amsterdam
Marten van Hovel (...) voor 't goude leer tot het
groote zael en toorentjen te Borkelo".
In maart werden nog eens 50.000 "rootsteen" en 10.000 kleine stenen betaald,
die eveneens in Deventer gekocht waren. In Neede werden 120 bomen gekapt.
Uit dat hout moest ook een slee voor de heer gemaakt worden. In april 1642
komt de volgende post voor:
"Betaelt aen Jan
Marques, hovenier van Haer Mayesteyt van Bohemen op rekeninge van 't maken
van den nijen gaerden aen 't huys te Borkelo neffens de Steenstrate. Item
voor 2500 asperges, luyt quytantie, somma 539-0-0".
De vaklieden kwamen meestal uit Zutphen
of Deventer. Voor het halen en brengen van de lieden en de materialen werd
gebruik gemaakt van de dienstverplichtingen die de inwoners nog hadden. Het
kostte telkens wel een tractatie (op bier).
Verkoop, ondergang en sloop van het
grote kasteel vóór 1663
De familie Van Limburg en Bronchorst kwam diep in de schulden te zitten,
niet alleen door de verbouwingen. Steeds meer goederen moesten bezwaard
worden of zelfs verpand om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen.
Uiteindelijk werd de heerlijkheid in 1727 verkocht door graaf Leopold van
Limburg en Bronckhorst aan graaf Carl Philips van Flodroff-Wartensleben. Het
kasteel werd toen niet meer bewoond en vertoonde omstreeks 1743 sporen van
ernstig verval aan de zuid- en oostzijde, zoals op onderstaande prent goed
te zien is:

Het tweede kasteel, ca. 1760
In deze toestand heeft het grote kasteel het volgehouden tot omstreeks 1760,
toen het, op het grootste deel van de kelders na, vervangen werd door een
L-vormig gebouw, dat niet meer de uitstraling van een kasteel had. Dit
"tweede kasteel" is voor het eerst afgebeeld op de kaart van Ravenschot uit
1763, die bovenaan de pagina staat. Klik
hier voor afbeelding van dit
zgn. tweede kasteel van Borculo. Dat het oude, zeer tot de verbeelding
sprekende, grote kasteel tot op de grond toe is afgebroken, blijkt ook uit
een beschrijving van het kasteel uit 1777. In een rapport over de door Prins
Willem V aangekochte heerlijkheid wordt gemeld:
"Dat het Hoff voor eenige jaaren, in
plaats van het oude en seer geëxtendeerde [uitgebreide] casteel genoegsaem
geheel nieuw opgebouwt zijnde...". De kelders en de fundamenten zitten er
nog. De kelders werden een stukje uitgebreid, waarbij de donjon deels
gebruikt werd als fundament zoals op de foto goed te zien is.
|