|
Inhoud:
Mark van de
stad Borculo:
Marken in de voogdij Geesteren:
- Geesteren
- Gelselaar
- Haarlo
Marken in de
voogdij Neede:
- Neede en Hoonte
- Noordijk
- Lochuizen
- Brammelerbroek
Marken in de voogdij Eibergen:
- Eibergen en de Holterhoek
- Olden Eibergen
- Mallem
- Rekken
- Hupsel
-
Ramsbeek
Marken in de
voogdij Beltrum:
- Beltrum
- Lintvelde
- Avest
- Zwolle
Marken in
het ambt Lichtenvoorde:
- Vragender
- Zieuwent
- Lievelde
- Somers
|
Betekenis van het woord mark
Het woord mark betekende oorspronkelijk merk, merkteken, grens of het door
een grens omsloten gebied. In de loop van de Middeleeuwen werd het woord
ook gebruikt om er de gemeenschappelijke (de niet verdeelde of "woeste")
gronden mee aan te duiden. Dat konden weiden,
veldgronden (heide), veengebieden en bossen zijn. Vaste grenzen waren er
toen nog niet.
Ontstaan
Hun ontstaan danken de
marken aan de ontginning en ingebruikname van delen van gemeenschappelijke
gronden door individuele grondgebruikers in tijden van bevolkingsgroei in
de late middeleeuwen. In een landbouwsysteem dat afhankelijk was van
voldoende aanbod van gemene gronden voor bijvoorbeeld plaggenbemesting,
turf, (hak-)hout, het houden van varkens in de gemeenschappelijk bossen ("akeren")
en het weiden van vee en schapen in de broeklanden en op het veld was
regulering noodzakelijk om dat systeem in stand te houden. De
markgenootschappen die daardoor ontstonden waren exclusieve gezelschappen.
Daarin maakten de bezitters of eigenaren van de oude en grootste erven de
dienst uit. Deze groep werd aangeduid met de begrippen markgenoten, gewaarden,
geërfden of erfgenamen. Het aandeel dat zij bezaten hing af van de boerderij waaraan
die status verbonden was. De bezitters van de oudste en vaak ook grootste
boerderijen waren meestal volgewaard en hadden één stem
in de mark. Er waren ook eigenaren van erven met een halve stem. Hun
goed werd aangeduid als een "half erf".
Vaak waren dit afsplitsingen van oude erven,
aangeduid als "Klein" of "luttike" (= klein), gevolgd door de erfnaam:
Groot Kormelink, Klein Kormelink, maar ook: Beernink en Klein Beernink;
Lutke Willink en Groot Willink. Tenslotte waren er de katers of
keuterboeren, die hooguit een kwart recht bezaten. Meestal waren dit de
jongere en kleine boerderijen, wier historische
continuïteit bepaald niet altijd gegarandeerd was.
Soms werden (en worden) ze aangeduid als "hut[te]":
Slemphutte en Bekkenutte (Bekkenhutte!). Markevergaderingen hebben
voortdurend getracht om de in tijden van voorspoed voortdurend gebouwde
nieuwe hutten in hun rechten op het gebruik van de gemene gronden te
beperken. De indruk bestaat dat de huttenbouw oogluikend werd toegestaan,
omdat het om de bestaansmogelijkheid van een jongere zoon van een gewaarde
of halfgewaarde boer ging. Vreemdelingen kregen die kansen niet.
Van belang is wel de kennis dat het individuele gebruik van de bodem ouder
is dan het gemeenschappelijke bezit. Vrijwel elk erf bezat een of meerdere
percelen op de lokale es, een bouwkamp en een gaarden. Dat kon uitgebreid
worden met stukken uit de mark afkomstige grond, aangeduid met begrippen
als "bijvang" of "inslag". Markgenootschappen moesten soms tot verkoop van
gemeenschappelijke grond overgaan om schulden af te kunnen lossen. Er zijn
sterke aanwijzingen dat op die manier verschillende percelen weideland in
het Berkelgebied van Olden Eibergen aan het eind van de 16e, begin 17e
eeuw in particuliere handen zijn terechtgekomen. Marken waren geen
statische instellingen, voortdurend werd er aan het gemeenschappelijke
bezit geknaagd.
Markenrechten
Het markenrecht bestond uit mondeling overgeleverd recht, de resoluties
van markenvergaderingen en (zelden) uit schriftelijk vastgelegde rechten.
Het oudst bekende recht is dat van de mark van Rekken, vastgelegd op 19
juli 1613. De Rekkense mark werd toen voorgezeten door de voogd van
Eibergen als vertegenwoordiger van de heer van Borculo, op dat moment de
vorstbisschop van Munster. Hij werd in zijn functie als markenrichter of "holtzrichter"
bijgestaan in de uitvoering van zijn bestuur door twee keer twee "mahlleute"
of buurmeesters, twee van elke kant van de Berkel: schulte Oeingk en
Oldenkotte van de noordzijde en Gerlach Poppinck en Hempsingk van de
zuidzijde. De markvergadering, aangeduid met de begrippen "holting" of "erbholtzingk",
vond plaats op de Hoff zu Oedingk in Rekken, waaraan het
erfmarkerichterschap al lang verbonden was. In het reglement ligt de
nadruk op het gebruik en instandhouding van het hout. Het maakte
onderscheid tussen volle erven, halve erven en keuters of "erbkotten".
Het markeboek van Mallem begint in 1567 en loopt door tot 1859. In bijna
300 jaar werden slechts de besluiten van 40 vergaderingen vastgelegd. Een
reglement ontbreekt.
Binnen de marken namen de burgers van Borculo en Eibergen een bijzondere
positie in. Vaak oefenden de burgers binnen hun stad een landbouwbedrijf
uit. Aan het burgerrecht waren gebruiksrechten op de gemeenschappelijke
gronden verbonden. De vier burgemeester van Eibergen functioneerden ook
als buurmeesters van de mark van Eibergen en de Holterhoek.
In de resoluties van de marke van de Ramsbeek, waarvan de abdis van het
Stift Vreden erfmarkerichter was, draaide het vooral om de instandhouding
van de bossen. Elk jaar werden de mestrechten van verschillende personen
en erven in o.m. Eibergen, Olden Eibergen en Haarlo daar mochten laten
lopen. Dat aantal kon jaarlijks variëren omdat het afhankelijk was van de
oogst. Na de kap van de bossen in de 17de eeuw was het gedaan met deze
mark.
Markenconflicten
Geschillen tussen
marken hadden vaak een principiële kant. Niet zelden werden ze tot op het
hoogste niveau - voor het Hof van Gelre en Zutphen - uitgevochten.
Langdurig waren geschillen tussen Eibergen en Groenlo over gebruiksrechten
van de Grolse burgers in het Eibergse Veld. Pas met de markenverdeling in
de negentiende eeuw werd een oplossing gevonden door Groenlo het in het
uiterste zuidoosten gelegen deel van het Eibergse Veld toe te wijzen.
Langdurig waren ook de geschillen tussen de markgenoten van Beltrum en
Lintvelde met de heer van Ruurlo over gebruiksrechten in het Ruurlose
Broek. Ook dat werd beslecht door de ingezeten bij de verdeling van het
Ruurlose Broek tegemoet te komen. In de Heerlijkheid Borculo ontstonden de
meeste geschillen tussen marken pas in de 16e en 17e eeuw, toen marken
gebruiksrechten in andere marken claimden. Zo rond 1600 ontstond er een
conflict tussen de marken van Olden Eibergen en Haarlo, als gevolg waarvan
de grenzen tussen de beide marken vastgelegd werden. Nog op het eind van
de 18e eeuw moest in een getuigenverklaring vastgelegd worden dat de grens
tussen beide marken liep door de "raakkoele" (vuurkuil of haard) van het
oude erve Nijhuis in Olden Eibergen. De loop van de (latere) staatsgrens
tussen Eibergen, Rekken en Vreden is mede te danken aan de uitkomst van de
beslechting van markengeschillen. Eenvoudige markenkwesties konden op die
manier na 1615 een "internationaal" tintje krijgen, waardoor de
respectievelijke landsheren (Gelderland en Munster) zich ermee moesten
bemoeien.
Marken en Buurschappen
Het wezenlijke onderscheid tussen de begrippen mark en buurschap ligt
in het feit dat alle buren - zo werden de ingezetenen van een buurschap
genoemd - zonder uitzondering deel uitmaakten van die buurschap: of men nu
bezit had of niet. De taken van de buurschap lagen meer op het sociale
terrein, het onderwijs, het onderhoud van de wegen enz. Anderzijds waren
alle ingezetenen van de buurschap verplicht tot het verrichten van
herendiensten, zoals het leveren van turf, het verrichten van
wagendiensten, het verrichten van de wacht op het Hof te Borculo (of
Lichtenvoorde, toen dat in 1616 werd afgesplitst van Borculo), het
verrichten van militaire diensten (monstering, jacht op groepen zwervers)
en de ondersteuning van de uitvoering van vonnissen van het criminele
gericht. Ook het onderhoud van de wegen kan men hiertoe rekenen.
Meer over
buurschappen in de Heerlijkheid Borculo...
Marken in
de heerlijkheden Borculo en Lichtenvoorde
In 1777 werden de heerlijkheden Borculo en Lichtenvoorde door Prins Willem
V van Oranje-Nassau aangekocht. Bij die gelegenheid werd een uitvoerig
rapport geschreven door zijn "raden" (leden van de Domeinraad) Ardesch en
Van der Borch. Zij beschreven daarin ook de aangetroffen markenorganisatie.
Opvallend is het verschil in organisatie tussen Borculo en Lichtenvoorde.
Daaruit blijkt het volgende:
Organisatie
van de marken in de heerlijkheid Borculo
De heer van Borculo was in alle marken erfmarkerichter, m.u.v. de marken
van Mallem en Brammelo of Brammelerbroek (Rietmolen, ten noorden van de
Schipbeek);
De marken hadden geen vaste vergaderdatums. Vergaderingen werden door of
namens de markenrichter bijeengeroepen. Hij zat de markevergadering voor
en deed de voorstellen. In de praktijk zal de drost - de hoogste
bestuurlijke ambtenaar in de heerlijkheid - de vergaderingen geleid hebben.
Het bestuur van de mark werd gevormd door de markenrichter en de
erfgenamen of gewaarden (de eigenaren van de belangrijkste goederen in die
mark) samen; de macht van de markenrichter werd beperkt doordat hij de
markerechten niet kon beperken of de mark met lasten opzadelen zonder de
toestemming van de geërfden;
De rechtsbevoegdheid van de mark beperkte zich tot markezaken, zoals het
onderhoud van de wegen en het uitgeven of verkopen van markegronden. Een
ingelande (=een bewoner van de marke, dus geërfde, halfgeërfde (met een
half recht in de mark) of een keuterboer (hooguit een kwart recht in de
mark) die zich bezwaard voelde door het markebestuur, kon een proces
aanhangig maken voor het landgericht van Borculo;
Ingebruikneming (ontginning) van gemeenschappelijke grond kon alleen
geschieden met unanieme instemming van de gezamenlijke geërfden. Illegale
aangravingen moeten ontruimd worden. Boetes werden half om half verdeeld
tussen erfmarkenrichter en geërfden.
Omdat de heer van Borculo als erfmarkenrichter vaak ook mede-geërfde was (hij
bezat goederen in vele marken) en vanwege zijn doorslaggevende stem, liet
hij zich op de markenvergaderingen vertegenwoordigen door zijn rentmeester.
De heer van Borculo kreeg op grond van zijn heerlijk recht de tiende
penning van alle markegronden die door de geërfden uitgegeven of verkocht
werden (de zogenaamde novale tiend, die in de 19e eeuw een belangrijk
obstakel zou worden bij de markenverdelingen).
Elke mark beschikte over een secretaris of markenschrijver, die meestal
met instemming van de markenrichter aangesteld werd.
De marken in de heerlijkheid hadden geen vaste inkomsten, reden waarom er
geen rentmeester werd aangesteld. Er vond dus ook geen jaarlijkse
afrekening plaats. Bij incidentele verkopingen e.d. benoemden
markenrichter en geërfden iemand die de financiële zaken regelde en
daarover verantwoording aflegde aan de markenvergadering.
Organisatie van de marken in de heerlijkheid Lichtenvoorde
Het rapport uit 1777 vermeldt dat er "drie boerschappen en markten"
waren: Zieuwent, Lievelde en Vragender. Tot de mark van Zieuwent behoorden
ook het oude goed en "Kring" Harreveld.De rechten van de heren van
Harreveld beperkten zich tot de jachtrechten in de "Kring van Harreveld"
en in Zieuwent.
De heer van Lichtenvoorde was erfmarkenrichter in de drie marken.
De ingezeten van de drie marken hadden ieder in de eigen mark de volgende
rechten:
1. het recht van "heijden en weijden" (vee te houden op de markegronden)
en
2. het recht om turf, plaggen en schadden te mogen steken.
De burgers van Lichtenvoorde hadden deze rechten in alle drie marken, dus
in de gehele heerlijkheid.
De drie marken werden bestuurd door "gildemannen", die door de richter en
keurnoten van Lichtenvoorde telkens voor een periode van drie jaar werden
aangesteld. Zieuwent en Harreveld hadden alk vier gildemannen, Vragender
twee.
De taken van de gildemannen bestonden uit:
1. het bewaken van de rechten van de mark;
2. onder oppertoezicht van de richter er voor te zorgen dat de ingezetenen
de gemene (openbare) wegen goed onderhielden en herstelden wanneer dat
nodig was:
3. Tenslotte moesten zij op bevel van de richter de ingezeten te ontbieden
om de wacht te houden bij criminele gevangenen en de kring te sluiten bij
de uitvoering van het vonnis.
Opheffing van de marken
Vanaf 1809 werden van staatswege
wettelijke maatregelen getroffen om de verdeling van de marken te
bevorderen. Men geloofde dat particulier grondbezit stimulerend zou werken
op de agrarische productiviteit.
Het kon dus zijn dat in de mark de dienst werd
uitgemaakt door lieden die niet in die mark woonden, maar er wel gegoed
waren. De voorzitter van de markevergadering had daarnaast nog een aparte
positie, omdat hij degene was die de vergaderingen bijeen kon roepen. In
de heerlijkheid Borculo was deze functie in alle marken - op Mallem en
Brammelerbroek na - erfelijk in handen van de heer van Borculo. Hij was
overigens niet steeds de belangrijkste grondbezitter. Waar dat wel het
geval was drukte zijn stem natuurlijk zwaar op de besluitvorming in de
marken.
Markenverdelingen in de Heerlijkheid Borculo
1835, Beltrum, Lintvelde, Avest en Zwolle
1839, 30 augustus. Koninklijk Besluit (KB) markenverdeling Haarlo
1839. Geesteren
1840, 7 april. KB markenverdeling Mallem
1840, 14 november. KB markenverdeling Neede en Hoonte
1841, 16 augustus. KB markenverdeling Lochuizen
1841, 16 augustus. KB markenverdeling Noordijk
1842, 4 september: KB markenverdeling Lichtenvoorde.
1849, 30 april. KB markenverdeling Brammelo en Brammelerbroek
1848, 29 juni. KB markenverdeling Rekken
1851, 19 september. KB markeverdelingEibergen en de Holterhoek
vóór 1852. Dijk of Dijkhoek
1852. Hupsel
1855, 29 november. KB markenverdeling Olden Eibergen
Tussen het Koninklijk Besluit en de daadwerkelijke uitvoering van de
markenverdeling konden vele jaren zitten.
Literatuur:
J.J.S. Baron Sloet, Geldersche markerechten. Uitgegeven in de
serie Werken der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het
Oud-Vaderlansche Recht, Tweede Reeks. no. 15 ('s-Gravenhage 1913). Met
de markenrechten van Rekken en uittreksels uit diverse markenboeken,
w.o. Mallem
J. Derking, "Verdeling van Haarlo's markegronden duurde 15 jaar", in:
Archief 1973, blz. 20-25. Met een kaart.
H.A. Huender, Eibergen voorheen en thans (Lochem 1928), blz.
20-34. Betreft vooral de markenverdeling onder Eibergen
Bennie te Vaarwerk, De Ramsbeek. Geschiedenis van een verdwenen
marke (Eibergen 1998) (pdf-bestand) |
Bronnenpublicaties:
A.G.B. Koster (bew.), Markeboek van de buurschap Dijcke (Borculo
1992)
Nelly Oostrik (bew.), Markeboek van de voogdij Beltrum (Borculo
1995) |
|