Portal voor de geschiedenis van Stad en Heerlijkheid Borculo, 12de-19de eeuw

Over deze website

Wapen van Heer Hendrik van Borculo
Het wapen van heer Hendrik van Borculo zoals dat opgenomen is in de Heraut Gelre. De kleurstelling komt terug in het huidige gemeentewapen van Berkelland en al eerder in het wapen van de voormalige gemeente Neede.

De Heerlijkheid Borculo was vanaf de middeleeuwen tot 1616 een nagenoeg onafhankelijk staatje. De Heren van Borculo uit achtereenvolgens de geslachten Van Borculo en Van Bronckhorst probeerden de machtige naburen te vriend te houden om die onafhankelijkheid te kunnen behouden. Door de expansiedrift van deze buren, het graafschap, later hertogdom Gelre, het vorstbisdom Münster en het bisdom Utrecht (waartoe Overijssel tot in de late zestiende eeuw behoorde), raakte de Heerlijkheid steeds meer bekneld. Het kinderloos overlijden van graaf Joost van Bronckhorst, heer van Borculo, in 1553, versnelde het einde van de nagenoeg onafhankelijke Heerlijkheid Borculo. Er ontstond er een strijd over de erfopvolging in de Heerlijkheid Borculo, die, volgens gangbare opvattingen, sinds 1360 ook het allodiale Lichtenvoorde omvatte. Deze strijd werd door latere historici de ‘kwestie Borculo’ genoemd. Vele jaren later en veel rechtszaken verder, zelfs tot voor het Rijkskamergericht in Spiers aan toe, sprak het Hof van Gelderland op 20 december 1615 een achteraf historisch gebleken vonnis uit ten gunste van graaf Joost van Limburg Stirum, die de zaak tegen de vorstbisschop van Münster voor dit Hof had gebracht.  Het vonnis betekende het einde van de quasi-onafhankelijke Heerlijkheid Borculo, die vanaf dat moment de facto onder Gelderse soevereiniteit kwam te staan en daarmee ‘Nederlands’ werd. De nieuwe Heer van Borculo, graaf Joost van Limburg Stirum, scheidde Borculo en Lichtenvoorde, door van deze laatste ook een heerlijkheid te maken.

Romaanse toren van de Domkerk van Münster

In Münster legde men zich niet neer bij de ontstane situatie. Want daar vond men, en eigenlijk terecht, dat het Gelderse Hof niet bevoegd was te vonnissen over een Münsterse heerlijkheid.  Het was vooral de latere vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen, die door zijn beleg van Groningen bekend werd als Bommenberend, die de oude aanspraken op Borculo weer te gelde wilde maken. In 1665 en 1672 viel hij de Republiek binnen en heroverde o.a. ‘zijn’ Heerlijkheid Borculo. Twee keer zonder blijvend resultaat. Zijn opvolgers bleven zich echter tot 1803 ‘Herr zu Borkelo’ noemen. Het geslacht Van Limburg-Bronckhorst, dat Borculo bezat en bestuurde tussen 1616 en 1726, had niet veel geluk met het zo moeizaam verworven bezit, o.a. vanwege de vele schulden die het in langdurige rechtszaken tegen Münster had moeten maken. In 1726 werd de Heerlijkheid Borculo dan ook verkocht (de Heerlijkheid Lichtenvoorde was al eerder in handen van een zijtak gekomen en door deze vervreemd). Na enkele ‘tussenheren’ werd de Heerlijkheid Borculo in 1776 verkocht aan stadhouder Prins Willem V van Oranje-Nassau. Door de gelijktijdige aankoop van de Heerlijkheid Lichtenvoorde werden Borculo en Lichtenvoorde weer eenherig, maar werden bestuurlijk niet verenigd. Zijn directe opvolgers in de rechte lijn voeren tot op de dag van vandaag de titels ‘Heer van Borculo’ en ‘Heer van Lichtenvoorde’.

Het wigbold Borckeloe op een Münsterse Berkelkaart uit de periode 1580-1615. Het kasteel ontbreekt. De kerktoren heeft geen dak. Twee poorten, de stadswal is voorzien van een palissade. Ook het molencomplex is afgebeeld (FSSA Anholt)

In zijn grootste omvang besloeg het gebied van de Heerlijkheid Borculo de territoria van de voormalige gemeenten Borculo (met de stad Borculo en de voogdij Geesteren), Neede en Eibergen (stad en voogdij Eibergen en de voogdij Beltrum), alsmede Lichtenvoorde. Groenlo, ooit Borculo’s bezit, was sedert 1236 een Gelderse enclave in de Heerlijkheid Borculo, dat zelf al vóór 1376 een leen was van de vorstbisschop van Münster.

Kaart van de Berkel in en bij de stad Borculo uit 1817, gemaakt door Waterstaatsingenieur D.J. Thomkins. De Berkel scheidt stad en Voorstad. Op het (grote) terrein van het Hof Borculo zijn de stallen te onderscheiden, het L-vormige kasteel, gebouwd ca. 1760, en het torenrestant (let op de schaduw uit het noorden!) van het oude kasteel (NA, 4WCA, inv.nr. 11082).

Op deze website kunt u onder andere de volgende informatie vinden:

  • informatie over de geschiedenis van (het gebied van) stad en heerlijkheid Borculo;
  • indexen op het oud-rechterlijk archief Stad en Heerlijkheid Borculo. Indexen, alfabetisch op naam,  kunnen via deze pagina ingezien en gedownload worden.  Hier kan onder andere gezocht worden op familienamen in de stad Borculo, stad en voogdij Eibergen en de voogdijen Geesteren, Neede en Beltrum;
  • transcripties en bewerkingen van bronnen, soms met afbeeldingen van de originele bescheiden, zoals onder andere een beschrijving  de heerlijkheden Borculo en Lichtenvoorde uit 1777,  stadsrekeningen van Borculo, schattings- en verpondingsregisters uit de zestiende en zeventiende eeuw, markenboeken en nog veel meer;
  • een bibliografie van de geschiedenis van stad en heerlijkheid Borculo en omgeving;
  • artikelen over de geschiedenis en verwijzingen naar andere publicaties;
  • een blog met berichten over allerlei meer of minder historische relevante zaken en actualiteiten, bijv. aankondiging van nieuwe indexen, bronbewerkingen, artikelen, trivia en erfgoedzaken, w.o. monumenten en archieven;
  • Foto’s van monumenten, archiefstukken en kaarten.

Nog even over de Achterhoek
In 1668 publiceerde de Eibergse predikant-dichter Willem Sluiter (1627-1673) deze beroemd geworden regels:

Als streeknaam wordt de Achterhoek niet eerder dan de vroege jaren ’30 van de 19de eeuw genoemd. Tot het begin van die eeuw werd het oostelijk deel van Gelderland aangeduid als de Graafschap Zutphen of het Kwartier van Zutphen. Sluiter bedoelde met zijn ‘achter-hoek’ zeker niet het geografische gebied van die naam in Gelderland. De context van die regel duidt eerder op het hoekje bij zijn Eibergse haard, en, meer in algemene zin, op het eenvoudige, vrome leven op het platteland waar hij graag predikant was, in tegenstelling tot het leven in de rijke en pronkerige steden van Holland en Utrecht.

Portret van Willem Sluiter

Hoe die verdringing plaatsgevonden heeft en wat daarin de betekenis van Sluiter was, zal wel altijd een onderwerp van onderzoek blijven. Maar dat die gezocht moet worden in de eerste helft van de 19e eeuw is voor mij een uitgangspunt voor verder onderzoek. In deze tussenliggende periode moet de verdringing van ‘Graafschap’ door ‘Achterhoek’ hebben plaatsgevonden. Na 1850 was de Achterhoek een gevestigde, zij het nooit formeel vastgelegde en sluitend beschreven naam. Vóór 1795 (en misschien met de uitloop tot de Franse Tijd erbij) tot 1811, werd in formele stukken voornamelijk gesproken over de Graafschap of het Kwartier. Tot die Graafschap Zutphen behoorden, naast de hoofdstad Zutphen, de vier kleine steden Doesburg, Doetinchem, Lochem en Grol. Bestuurd werd de Graafschap door vertegenwoordigers uit ridderschap (de adel) en vertegenwoordigers van de steden. Daarnaast waren er gebieden die helemaal niet in het bestuur vertegenwoordigd waren, zoals de (vrije) Graafschap Bergh (inclusief Westervoort), en de vrije heerlijkheden Bronckhorst, Wisch, Bredevoort en, vanaf 1616, de vrije heerlijkheden Borculo en Lichtenvoorde. Laatstgenoemde heerlijkheid verloor die status, toen zijn rond 1700 formeel in leen werd opgedragen aan Gelre-Zutphen.

De ‘wordingsgeschiedenis’ van de Achterhoek en de relatie die Sluiter daarmee mogelijk heeft gehad, is gepubliceerd op 7 september 2018 onder de titel ‘Van achter-hoek tot Achterhoek’. Het werd uitgegeven door de Historische Kring Eibergen en de Historische Kring Neede.

Bennie te Vaarwerk