Enkele nieuwe gegevens over de bouwgeschiedenis van de Piepermolen in Rekken

De Rekkense Piepermolen op Nationale Molendag 2018

Iedereen die van Eibergen naar Rekken rijdt, kent wel de windmolen, links van de weg in het deel van Rekken dat ‘het Kip’ heet. Het is een bijzondere molen, want hij heeft een stenen romp, wat in Nederland en zeker ook in Gelderland uniek is.  In 1972 werd de molen gerestaureerd, nadat 32 jaar eerder, namelijk tijdens een storm in 1940, de wieken van de molen waren afgewaaid. Na de restauratie werd de molen beheerd door de Pieperstichting. Deze ging in 2004 samen met de Stichting de Mallumsche Molen op in de Stichting Eibergse Molens. Op de Beeldbank van de RCE zijn mooie foto’s te vinden van de Piepermolen vóór, tijdens en na de restauratie.
Ik ken de Piepermolen, genoemd naar de laatste eigenaar, vanaf mijn jeugd. Omdat ik veel familie op ’t Kip en in de daarachter gelegen Ape heb wonen, speelden we er regelmatig.

Zicht op het gebied de Ape in Rekken aan de zuidzijde van de Berkel.

Maar ik kan me niet herinneren dat ik ooit in de molen ben geweest na de restauratie. Een krantenartikel waarin vrijwillig molenaar Ton Esman uitgebreid aan het woord kwam, was aanleiding om zaterdagmiddag 12 mei, Nationale Molendag, naar Rekken te fietsen.

De molen, gelegen op een belt, is ook bijzonder om het bouwjaar, namelijk 1796, het tweede jaar van de Bataafse Vrijheid. Na de komst van de Fransen en de val van de Republiek in 1795 werden de heerlijkheden en heerlijke rechten afgeschaft. Molenaar Van Hasz begreep de tijd en smeedde het ijzer toen het heet was. Maar tot nu toe was onbekend dat de succesvolle poging van Van Hasz de tweede poging was. Want al eerder, namelijk in 1786-1787, was er een windmolenbouwplan, maar dat mislukte. Het was te vroeg. Over die beginperiode gaat dit blog.

Heerlijk recht van water en wind
Het recht van water en wind was één van de heerlijke rechten van de heer van Borculo, waaronder ook Rekken viel. Dat wil zeggen dat het alleen aan de heer der heerlijkheid was voorbehouden om water- en windmolens te mogen bouwen. Zo bezat de heer van Borculo de watermolens van Borculo en Olden Eibergen en de windmolen op de Needse Berg. Laatstgenoemde heeft hij ooit wederrechtelijk in bezit gekregen van de oorspronkelijke eigenaar, het Stift Überwasser in Münster, dat ook de Grote en Kleine Hof te Neede en het patronaatsrecht van de kerk te Neede bezat (en die eveneens via een pachtconstructie in handen kwamen van de heren van Borculo). De heer van Borculo bezat in de zestiende eeuw ook een windmolen in Lichtenvoorde.
Er was in de heerlijkheid Borculo één molen die niet in het bezit van de heer van Borculo was, namelijk die in Mallem, die altijd deel uitgemaakt heeft van de Hof te Mallem.  Dit goederencomplex was ooit een bezit van de graven van Dahl als heren van Diepenheim, daarna, sinds 1331, van de bisschoppen van Utrecht. Korte tijd daarna moeten hof en molen in bezit gekomen zijn van de heer van Borculo, die het op zijn beurt in leen uitgaf. Zijn Mallemse leenman kreeg hof en molen met het recht van gemaal (molendwang) over het kerspel Eibergen: alle kerspellieden (dus van die te Rekken tot en met die van de Waterhoek bij Borculo) moesten hun graan in Mallem laten malen. Of dat in de praktijk ook gebeurde, waag ik wel te betwijfelen, maar dat voor nu terzijde.
Nog in 1736 werd in een stuk betreffende een voorgenomen verkoop van de heerlijkheid Borculo het “recht van water en wind” genoemd onder de heerlijke rechten. Er werd aan toegevoegd: “Door dat regt kan niemand wind- of watermolens hebben als de Heeren van Borkelo”. We hebben al gezien dat Mallem hierop een uitzondering vormde, maar dat het recht van molendwang wel door de heer van Borculo aan zijn leenman van Mallem was verleend. Maar het recht van water strekte zich ook verder uit: “En uyt hoofde van eygendom van ’t water hebben de Heeren van Borkelo dikwils ’t gebruyk van water op eene recognitie toegestaen aen menschen van toverije beschuldigt en die door dat middel haer onschuldigheyt versoeken te mogen toonen.”
Pogingen om vóór 1795 watermolens te bouwen in de heerlijkheid zijn elders beschreven , maar met betrekking tot de windmolens is nog weinig bekend. Dankzij de steen in de romp van de molen, weten we dat de Rekkense molen in 1796 werd gebouwd. Het ligt voor de hand een verband te leggen met de afschaffing van de heerlijkheden en heerlijke rechten in 1795. Maar, zo bleek mij nog niet zo heel lang geleden, ook in Rekken was al eerder een poging ondernomen om een korenwindmolen te bouwen, namelijk in 1786-1787.

Eerste bladzijde van het rekest van de Rekkenaren, 1786 (NA, NDR, inv.nr. 2028)
Laatste bladzijde van het rekest van de Rekkenaren uit 1786, met de handtekening van de buurmeesters, de geërfden en de (beoogd) molenaar (NA, NDR, inv.nr. 2028)

De mislukte bouwaanvraag van 1786
Vermoedelijk in december 1786 hebben de buurmeesters en geërfden, dit is het bestuur van de mark en de bezitters van de stemgerechtigde erven in de mark, een verzoek ingediend bij de heer van Borculo, op dat moment prins Willem V. Zij voerden aan dat, “de verre afgelegentheyd der koorenmoolen [die van Mallem of de Nieuwe Molen], als van de onbruikbaarheyd der wegen bij het wintersaysoen” nadelig was voor “ons dorp en buurschap”. Daardoor waren velen genoodzaakt geweest het graan “buitenslands”, d.w.z. buiten de heerlijkheid, te laten malen. Daarom hadden zij een plan gemaakt, “om eene windkoorenmoole op eene bekwaame plaatsche in ons voorschreven dorp of buurschap” te bouwen, die niet schadelijk zou zijn voor de belangen van de bestaande molens en vooral niet voor die van de heer van Borculo.
Voor de uitvoering van het molenbouwplan had het markenbestuur David Berendzen ingehuurd, “molenaar aan de stadt en graafschap Berg”. Zij begrepen ook dat het plan geen kans van slagen had, als niet eerst toestemming aan de heer van Borculo zou worden gevraagd. Buurmeesters, geërfden en molenaar Berendzen ondertekenden het verzoek.
De Domeinraad, het college dat de bezittingen van de Prins van Oranje bestuurde en administreerde, stuurde de brief door naar hun Borculose beambten en adviseurs, B.E. Abbinck en rentmeester B.A. Roelvinck. Zij kwamen op 8 januari 1787 met een advies, dat korte metten maakte met het Rekkense plan. Zij overwogen,
– “dat in de boerschap Rekken nooit tevoren een windmoolen is geweest;
– dat de ingezetenen aldaar doorgaans gewoon zijn haar koorn te laten breken op de Mallemsche moole;
– dat eenige daarvandaen wonen een half uur of minder en zommige een uer gaans of daaromtrent;
– dat dierhalven, wanneer in Rekken een windmoolen wierd gezet, daardoor een merkelijke praejudicie [nadeel, schade] zoude worden toegebragt aan de heer van Odink als eigenaer van de Mallemsche mool en dieswegens ongetwijfelt darover contesten [strijd] zouden komen te ontstaan;
– dat ook des zomers den weg uit Rekken na de voorsz. mool zeer wel te gebruiken is en dat des winters de supplianten aan de eene kant de ongemakken van dien met meer andere ingezetenen van de heerlijkheid gemeen hebben, en het aan de andere kant kennelijk is, dat door het zetten van een mool de wegen niet worden verbeterd.
En hierbij dan nog mede wordende geconsidereert, dat het gemaal van de boerschap Rekken op zig zelven zo groot niet is dat daarop alleen een mool kan worden onderhouden en wij dierhalven aldus niet kunnen zien dat hierin eenige avantage [voordeel] voor het Domeyn resideert, maar in tegendeel voor ’t zelve daaruit niet als kosten en dispuiten zullen resulteren (…). En dat wij bovendien en in ’t generael ook zouden vermeenen, dat het gebruik van alzulke hoge of regale [=heerlijke] rechten aan geen particulieren of vreemden behoorde te worden geconcedeert [toegestaan], maer dat de natuir, toestand en conservatie derzelve meer komt te vereischen, dat alleen door den hogen heer der heerlijkheid werden g’ëxerceert [uitgeoeffend]”.
Het plan verdween in de Haagse kast of in de woorden van 1786: het “verzoek diende te worden gehouden in advys”. De Oranjegezindheid, die de Rekkenaren in deze tijd voor de in zoveel moeilijkheden verkerende stadhouder en heer van Borculo aan de dag legden, leverde niets op zolang het oude regime nog aan de macht was.
De val van de Republiek en de komst van de Bataafse Republiek in 1795 betekende o.a. het einde van de heerlijkheden en de heerlijke rechten. Dat betekende overigens nog niet dat iedereen zijn gang kon gaan. In Rekken werd het molenplan weer opgepakt, maar nu niet door het markenbestuur, maar door een particulier.

De eerste steen voor de windmolen, gelegd in 1796. Met de namen van de stichters.

Bouwvergunning voor Jan van Has[z], 2 oktober 1795.
Op 2 oktober 1795 kreeg Jan van Has te Ruurlo (Roderlo) van het Provinciaal Collegie van Politie, Finantie en Algemeen Welzijn in Gelderland toestemming om “binnen het Quartier van Zutphen in de heerlijkheid Borculo onder Rekken, kort aan de Munstersche grenzen een koornwindmolen te mogen doen timmeren en te zetten, om daarop koorn gemalen te worden en hem daartoe het gewoone windregt toestaan.”
Het Provinciaal bestuur trad dus in de plaats van de verdwenen heer van Borculo. Dat bestuur had bovendien de mogelijkheid tot het indienen van bezwaren opengesteld, maar daarop was geen respons gekomen. Van Has moest wel jaarlijks een “erftinsregt”, een erfpacht, van vijf guldens betalen aan de rentmeester van het Kwartier van Zutphen.

Octrooi voor Jan van Has uit Ruurlo om een windkorenmolen in Rekken te mogen bouwen en te houden, 1795 (GldA, BFA, inv.nr. 300).

Helaas heb ik het rekest van Jan van Hasz niet in het dossier aangetroffen. Het lijkt mij echter onwaarschijnlijk dat hij gehandeld heeft zonder medeweten van de Rekkense geërfden. Dat hij bouwheer van de molen was, blijkt nadrukkelijk uit een steen in de romp die zijn naam en die van zijn vrouw: J.S. van Hasz en A. Mellink. Volgens het bevolkingsregister van Eibergen van 1817 was de gereformeerde Johannis Stephanus van Hasz op 11 januari 1753 in ’s-Heerenberg geboren. Zijn vrouw, Aaltjen Mellink, was in Rekken geboren op 5 februari 1764.
De geschiedenis van de molen is volgens mij nog nergens compleet beschreven. Het boekje van H. van Dorsten, Langs Achterhoekse molenb. De molens van Graafschap en Liemers, biedt summiere informatie. Bouwkundig zal de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wel over veel informatie beschikken.

De steen met het (vermoedelijke) huisnummer in een van de deuropeningen van de Piepermolen op de eerste verdieping.

Negentiende eeuws huisnummer G 127
Bij de rondgang op Nationale Molendag 2018 viel mijn oog nog op een bijzonderheid. Op een van de stenen in een deuropening op de eerste verdieping staat een hoofdletter G en het getal 127 gebeiteld. Mogelijk is dit het huisnummer van de molen na 1850, toen de ‘wijken’ of buurten van de gemeente Eibergen een letter kregen. Rekken werd wijk G.  In 1817, toen de gemeente een doorlopende huisnummering kende, had het perceel ‘Aan den Molen’ het nummer 245. De wijkaanduiding voor Rekken met de letter G bleef gehandhaafd tot de invoering van straatnamen omstreeks 1970.

Impressies van de Piepermolen op Nationale Molendag 2018 

13 mei 2018,
Bennie te Vaarwerk

Biografie van een weide: bij de ingebruikname van de nieuwe N18 bij Eibergen

De belijning op de nieuwe N18 is gevorderd tot de Bosweide achter de erven Biezebeek (rechts) en Nieuw Biezebeek. Op de achtergrond de ‘Spiral Hill’ bij de Berkel. De foto is genomen vanaf het viduct ‘Leugemors’ in de Needseweg en laat het tracedeel van de N18 zien tussen die weg en de Berkel. Waar de belijning ophoudt, begint de Bosweide. Verder naar boven (het zuiden), bij de houtopstand: de hoge bouwkamp de Heugte. Het daarachter liggende Berkeldal is niet meer te zien. omdat de N18 er hoog door heen gelegd is.

Als er een leven is vóór en na de N18, begint dat op 2 mei 2018, wanneer deze nieuwe autoweg van Enschede naar Groenlo in gebruik genomen wordt. De tweede of nieuwe Twenteroute, zoals de weg door Rijkswaterstaat wordt genoemd, vervangt de oude, die in 1857 werd aangelegd tussen Lichtenvoorde en Enschede.  Maar 20 jaar eerder was in Eibergen al een begin gemaakt met de eerste noord-zuidverbinding tussen Achterhoek en Twente door de bouw van de Nieuwe Brug over de Berkel. Het is natuurlijk toeval, maar juist ook in 2018 is de in 1834 door J.P.B. Bouquié in Eibergen op de noordelijke Berkeloever gebouwde textielfabriek na een lange, maar zeer geslaagde restauratie in gebruik genomen als hotel. Een visitekaartje voor Eibergen, waar dit jaar bovendien herdacht wordt, dat de Eibergse predikant-dichter Willem Sluiter in 350 jaar geleden, in 1668, er zijn wellicht bekendste dichtregels, hier geciteerd naar de authentieke gedrukte versie van 1668, het levenslicht liet zien:

Willem Sluiters bekende ‘achter-hoek’ regels, voor het eerst gepubliceerd in 1668.

 

Cynici zouden kunnen zeggen, dat Eibergen door de ligging achter de nieuwe N18 opnieuw in een achterhoek terecht gekomen is. Dat is zeker het geval als je een benadering hebt dat ‘het’ allemaal gebeurt in de Randstad. Sluiter verzette zich in zijn werk ook al tegen die benadering, al kende hij het woord ‘Randstad’ natuurlijk niet. In die zin biedt de nieuwe N18 Eibergen ook nieuwe kansen. Hotel De Kastanjefabriek is daarvan een eerste vrucht. Het zou natuurlijk een prachtig vervolg zijn als er nog dit jaar in Eibergen op de kop van de Kluiversgang een monument voor dé achterhoek-dichter Willem Sluiter tot stand zou komen.

Hotel De Kastanjefabriek in volle glorie na restauratie in maart 2018. Nieuw visitekaartje voor Eibergen aan de oude en na 2 mei rustige N18.

In de afgelopen jaren, zo ongeveer vanaf 2013, heb ik het tracé van de nieuwe N18 in de (voormalige) gemeenten Eibergen en Groenlo gefotografeerd. Ik wilde vastleggen wat was, wat wordt en wat geworden is. Documenteren, niet om geschiedenis te maken, maar om verandering vast te leggen met kennis van de geografie en de geschiedenis van het gebied steeds in het achterhoofd. Met de middelen van deze tijd heeft dat geresulteerd in vele duizenden foto’s, waarvan ik met enige regelmaat, en voor sommigen misschien tot vervelens toe, vooral via Twitter heb gepubliceerd. De bouw van de nieuwe weg noodzaakte mij zelfs tot de aanschaf van een autocamera, zodat ik alle oude, nu door de N18 ruw onderbroken, wegen onder Eibergen op video heb. Als het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers er belangstelling voor heeft, dan kunnen deze bestanden t.z.t. daarnaartoe gebracht worden. De aanschaf van een drone heb ik wel overwogen, maar ben er niet aan begonnen. Gelukkig hebben anderen dat gedaan, zodat in ieder geval ook de bouw vanuit de lucht vastgelegd is.

Vooraankondiging van grote gebeurtenissen: een gasleiding, die door de Bosweide loopt, moet verdiept aangelegd worden, voordat de N18 uitgegraven kan worden. Op de achtergrond rechts het erve Nieuw Biezebeek en links Biezebeek. De nieuwe kapschuur zou later nog gesloopt worden. Foto van 15 juni 2015.

Natuurlijk heeft dit alles ook een persoonlijke component. Ik ben geïnteresseerd geraakt door alles wat rond deze weg gebeurde, omdat hij al in mijn jeugd een belangrijke rol had in de ontwikkeling van de boerderij van mijn ouders.

Toen zij midden in de jaren ’70 besloten de melkveehouderij aan de kant te doen en over te gaan op het houden van mestvarkens, had dat te maken met de opkomst van het tankmelken, maar vooral ook met de mogelijke komst van Rijksweg 15. Zij zouden, in het slechtste geval drie grondpercelen kwijtraken aan die autosnelweg, wat de basis onder de melkveehouderij zou wegslaan. In 1973 en 1977 werden twee grote varkensstallen gebouwd, die in 2003 gesloopt werden.

Boerderij- en veldnamen rondom het erve Biezebeek
Detail van een kaart met vele van de in dit blog genoemde boerderij- en veldnamen in het ten noorden van de Berkel gelegen deel van de buurschap Olden Eibergen (E.H. Wesselink e.a., Boerderij- en veldnamen in Eibergen, Doetinchem 2004, kaart 04, blz. 142).

Dat ouderlijk erf, Nieuw Biezebeek, gelegen in het ten noorden van de Berkel gelegen deel van de buurschap Olden Eibergen, was in 1933 gebouwd door mijn grootouders op gronden die grootvader uit de Biezebeek, zijn ouderlijk erf, na het overlijden van zijn oudste broer in 1932, had gekocht. Vier percelen werden gedeeld: de Goorden, gelegen ten oosten van de oude weg naar Neede, waarop Nieuw Biezebeek verrees, de Bosweide, die ten oosten daarvan lag, de bouwkamp de Heugte, aan de huidige Leugemorsweg en de weide de Hardemaat (‘Hattemoat’) een eind ten westen van de boerderij gelegen. Rijksweg 15 zou door de Bosweide en over de Heugte aangelegd worden.

Het Bestemmingsplan Buitengebied Gemeente Eibergen, ca. 1975. Detail van het gebied tussen Berkel en gemeente Neede in Olden Eibergen. De zone waarbinnen Rijksweg 15 aangelegd zou worden is gemarkeerd met de romeinse I. De autoweg zou volgens de toenmalige plannen ten oosten van de Stokkersbrug aangelegd worden. (ECAL, Gemeentearchief Eibergen).
Het ontwerp voor Rijksweg 15, ingepast in het Bestemmingsplan Buitengebied gemeente Eibergen, 1990. Men ging toen nog uit van een autosnelweg ten westen langs Groenlo, door Voor-Beltrum, Avest en west-Hupsel naar Haaksbergen (ECAL, Gemeentearchief Eibergen)

Dat is ook in de definitieve versie, maar nu onder de naam N18, ook gebeurd. Het nieuwe stuk van de Leugemorsweg loopt overigens ook diagonaal door ‘ons’ gedeelte van de bouwkamp de Heugte. Deze bouwkamp was een van de meest archeologisch interessante terreinen op het 27 kilometer lange N18-tracé. IJzertijdsporen en sporen uit de Karolingische tijd en later zijn er gevonden.

Detail van een luchtfoto uit ca. 1990 van een deel van Olden Eibergen tussen Berkel en Needseweg.

 

 

 

Detail van een luchtfoto van Olden Eibergen rondom de (latere) Stokkersweg, gemaakt in 1934. De Berkelwerken (tweede Berkelverbetering) zijn in volle gang; oude lopen worden gedempt en zijn nog zichtbaar in het landschap. Ter oriëntatie zijn enkel veld- en boerderijnamen opgenomen. Bouw- en weilanden zijn nog goed te onderscheiden.

Maar ik wil het nu juist hebben over de Bosweide, archeologisch misschien minder interessant, maar historisch meer, omdat je de ontwikkeling van de landbouw daarin zo goed kunt terugvinden.
Geomorfologisch  is de Bosweide geclassificeerd als beekoverstromingsvlakte, een vlak terrein waarop overstromende beken hun slib afzetten. De Berkel was nabij en de erfnaam Biezebeek duidt ook al op de aanwezigheid van stromend water. De weidegrond bestond soms uit delen zware leem afgewisseld met grof zand, hetgeen benutting voor andere doelen dan weide lange tijd onmogelijk maakte. Pas in de laatste decennia van de vorige eeuw werd er ook mais verbouwd, maar niet altijd met evenveel succes.

Detail van de geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50000, Blad 34-35 Enschede-Glanerbrug, van het terrein tussen Neede en Eibergen, rond het erve Biezebeek. Ter oriëntatie zijn weer enkele veld- en boerderijnamen ingevoegd, kaart dan wel uitvergroten. Ook op deze kaart is een tracé van Rijksweg 15 te vinden (Stichting voor Bodemkartering, Wageningen 1979).

De naam Bosweide was een vrij nieuwe naam. In 1820 werd het perceel nog de Morsch genoemd, en ook die naam wijst op een nat gebied. In dat jaar verkocht het Domein van Borculo het erve Biezebeek aan de Zutphense koopman Hendrik Nieuwenhuis. Over de Morsch werd toen gezegd dat die voor verbetering vatbaar was, ‘bij aldien zelve werde gecultiveerd’.

Kadastraal minuutplan van 1828, Sectie F (Olden Eibergen), Blad 2. Dit is het oostelijke deel van het ten noorden van de Berkel gelegen deel van de buurschap Olden Eibergen. Het noorden is rechts op dit plan.

In de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel, behorende bij het kadastrale minuutplan van 1832 (Sectie F, 2de Blad, nr. 382), wordt in de kolom ‘soort der eigendommen’ hakhout vermeld, dus de (latere) naam Bosweide is dan niet zo vreemd meer. Het perceel was toen ruim 4 hectare. Dat cultiveren zou geleidelijk aan gebeuren, zoals de topografische kaarten mooi laten zien. Ergens tussen 1890 en 1930 was het gehele terrein omgezet in weideland. Als in 1934 een luchtfoto (zie boven) wordt gemaakt, is de Bosweide goed herkenbaar. In en aan de randen van de weide staan al de eikenbomen die ik uit mijn jeugd ook nog heb gekend. In 1934 en later werd in Eibergen volop gewerkt aan de tweede Berkelverbetering (de eerste dateert uit de jaren ’90 van de 19de eeuw). Aan de noordzijde kreeg de Berkel een dijk of, zoals wij altijd zeiden ‘den bekkenwal’. Ook oude Berkeltakken, al of niet gedempt zijn nog terug te vinden op de foto (en op de kaarten). Bovendien was het Berkeldal niet zo kaal zoals het vooral na de derde Berkelverbetering in de tweede helft van de jaren ’60 van de vorige eeuw zou worden. De kleinschaligheid van het landschap en vooral de langgerekte percelen door een variëteit aan gewassen op de essen en bouwkampen valt op.

Detail van een topografische kaart van Olden Eibergen ná 1890, na de Eerste Berkelverbetering. De Bosweide in rechthoekig gebied) is voor een groot deel nog bos, maar de ontwikkeling naar weide was wel in volle gang.

 

 

Detail van een topografische kaart van een deel van Olden Eibergen, ca. 1930-1935, waarop binnen het rechthoekige gebied te zien is, dat de Bosweide nu geheel ontwikkeld is tot weide. De Bosweide van Olminkhof is dan nog grotendeels bos.

Vóórdat de nieuwe N18 zijn alles veranderende werk deed, waren de overgebleven boeren ook al bezig verder op te schalen: percelen werden aan elkaar geschoven, steilranden afgeschoven, grasland maakte plaats voor grasfalt en gesubsidieerde mais-monocultuur. De nieuwste verandering in het dal van de Berkel hier werd onlangs aangekondigd: de komst van een zonnepanelenpark aan de Hoondermaatsweg.
Toen de Bosweide eenmaal zijn weidebestemming had gekregen, kon die ook voor andere doeleinden gebruikt worden. Mijn vader, fanatiek voetballiefhebber vanaf zijn jeugd, kreeg het voor elkaar dat in de Bosweide gevoetbald mocht worden. De rooms-katholieke voetbalvereniging S.V. DES (Door Eendracht Sterk) heeft vanaf 1943 een tijdje gebruik gemaakt van die weide. Voor de uitbreiding en verandering van zijn bedrijf werd een deel van de grond gebruikt voor de bouw van twee varkensstallen.
Maar geen ingreep is zo groot geweest als die van de bouw van de nieuwe N18. De autoweg loopt hoog diagonaal door de Bosweide, waardoor de beleving van met name de steilranden van de Scholtenes en (deels) van de Heugte minder krachtig wordt, naar mijn idee. Eigenlijk is het wenselijk dat door de alsmaar voortwoekerende schaalvergroting en de landbouw met de daaraan gekoppelde wens tot grote, efficiënt te bewerken en te beheren percelen, de resterende steilranden een beschermde status krijgen.  En hiermee ook samenhangend: de bescherming van houtwallen en hoog opgaand hout, want ook daarmee is het in de laatste jaren nog hard achteruitgegaan.


De nieuwe weg ligt er nu. Het is te hopen dat hij aan zijn doel zal beantwoorden. Ik heb de wording willen documenteren, wat niet wil zeggen dat ik over die weg geen mening heb. Ik zie dat de weg soms mooi door het landschap is gelegd, maar op andere plekken vernietigend is geweest, bijvoorbeeld in het dal van de Hupselse Beek, waar het weglichaam van de toekomstige verbinding Borculo-Duitsland een brute verbreking vormt. In het Eibergse Berkeldal is het hooggelegen weglichaam eveneens een brute onderbreking. De ‘spiral hill’ of ‘eiberg’ past er niet. Het is een omkering van het landschap.
Sommige parallelwegen en fietspaden zijn mooi aangelegd, bijvoorbeeld het fietspad tussen Lintveldseweg en de Hupselse Markenweg door het Oldeneibergse Veld. Deze weg heeft nog geen naam. Ik stel voor deze de Oldeneibergse Veldweg te gaan noemen. Wat de naamgeving betreft heb ik enige bemoeienis gehad met de nieuwe of te hernoemen wegen in de gemeente Eibergen. Bij de viaducten heb ik vraagtekens bij dat over de Borculoseweg, dat beter de Oldeneibergse Es genoemd had kunnen worden, want de N18 ligt op die plek in die es. Viaduct het Vinkennest in de Lintveldseweg is (vind ik) een armoedekeus geweest. Hier was de naam Oldeneibergse Veld juister geweest. Zelfs bij heemkundekringen mag je niet altijd voldoende lokaalhistorische kennis verwachten. Vraagtekens heb ik ook de benaming Stokkert (Stokkert[s]brug?] voor de nieuwste N18-Berkelbrug. Ook hier was met een naam als de Markenbrink beter recht gedaan aan de lokale historie. De Markenbrink was een perceel weideland van de mark van Olden Eibergen. Het bleef bij de markenverdeling in de 19e eeuw onverdeeld, omdat van de pachtopbrengsten ervan, de mark de Stokkersbrug, wegen en in de 18de eeuw ook de kerkhofmuur van onderhielden.
Wat ik niet begrijp, is dat op sommige eeuwenoude bouwlanden nieuwe beplanting is aangebracht. Dat getuigt van weinig kennis van het historische landschap. In het geval van het bouwland de Heugte, wordt weggebruikers daardoor op termijn een mooi zicht op het dorp Eibergen ontnomen. Ook op de Oldeneibergse Es is dat op vrij grote schaal gebeurd.

De voormalige Leugemorsweg omgeploegd tot bouwland, met zicht op Eibergen, maar op termijn niet meer voor het verkeer op de N18 die hier oversteekt. Foto genomen op 8 oktober 2017.

Hiermee samenhangend vraag ik mij verder af, waarom op zoveel hooggelegen bouwlanden sloten zijn aangelegd, sloten die nooit functioneel zullen worden en alleen maar veel onderhoud zullen vergen.

Overbodige sloot in hoge en oude bouwkamp langs het nieuwe deel van de Leugemorsweg, mei 2017.

Met betrekking tot de onderbroken oude wegen hoop ik dat die oude wegen zoveel mogelijk herkenbaar zullen blijven. Soms is dat op een mooie wijze gedaan, zoals het stukje van de voormalige Hupselseweg/Kiefteweg tussen Stokkersweg en nieuwe N18.
Een niet te begrijpen keuze is gemaakt ten aanzien van het nieuwe deel van de Leugemorsweg tussen de oude Leugemorsweg en de aansluiting bij de voormalige Stokkersweg bij de Berkel. De bouwkamp, maar ook de oeroude relatie van dit bouwland met het nu aan de overzijde van de nieuwe N18 gelegen erve Biezebeek, was beter in stand en beleefbaar gebleven als de bestaande weg met een haakse bocht aan een nieuwe N18-parallel naar de Stokkersbrug was aangelegd. Zoals bekend staan vele oude boerderijen met hun grote inrijdeuren, de ‘nendeure’ naar de bouwkampen toe gekeerd. Beplanting en verlegging van de Leugemorsweg, maken die beleving van historie nu moeilijk.

Zicht op de grote inrijdeuren (1848) van het erve Biezebeek. De Leugemorsweg (links) dateert van ca. 1970 en is nu de toegangsweg tot dat erf. De oorspronkelijke Leugemorsweg liep langs de schuur en kwam uit op de brink. De N18 gaat dwars op de kuilvoerplaat op de voorgrond, foto van 27 april 2016.
N18-tracé vanaf viaduct Leugemors in de Needseweg richting Biezebeek door de Bosweide, 20 april 2018.

Maar, zoals met alles, ooit komt er een generatie die niet anders meer weet. ‘De tied mot zien wark doon’, roep ik vaak. Voor mij was het documenteren een mooie manier om enerzijds meer kennis te krijgen van de geografie en de geologie van het landschap van mijn jeugd. Anderzijds hielp dat documenteren bij de ‘verwerking’ van de ingrijpende veranderingen in dat landschap.

Eibergen, Oude Koninginnedag 2018,
Bennie te Vaarwerk

Makkink, Rondom het boerenleven in Zelhem

Nieuwer Achterhoeks Boerenleven

Oud-Achterhoeksch Boerenleven
Mijn exemplaar van Oud-Achterhoeksch Boerenleven (derde druk 1946)

Zo aan het eind van het jaar haal ik H.W. Heuvels Oud-Achterhoeksch Boerenleven maar weer eens van de plank. Mijn exemplaar is een geschenk van een dankbare Arnhemse evacuee aan mijn vader in 1947. Het is de derde druk, die in 1946 verscheen  en dus op slecht papier gedrukt is. Nu is Heuvel al meer dan 90 jaar dood, maar zijn gedachtengoed, en zeker genoemd werk, leeft nog in de Achterhoek.

In het voetspoor van Heuvel
Uitgave van de Studiekring Hendrik Willem Heuvel (2017)

Zo is er een studiekring die in 2017 nog een bundel met artikelen over zijn leven en werk uitgaf. Heuvels schets (nou ja) van het boerenleven is gebaseerd op zijn jeugdherinneringen uit de laatste decennia van de 19de eeuw.

Daarmee lijken we te vergeten dat er ook nog een twintigste eeuw is geweest, die diep ingegrepen heeft in het (Achterhoekse)  boerenleven. Het door Heuvel geschetste harmonieuze samenleven van generaties onder één dak, werd in 1959 hard onderuitgehaald door G.A. Kooy in zijn sociologische studie De oude samenwoning op het nieuwe platteland. Een studie over de familiehuishouding in de agrarische Achterhoek.

Titelblad studie G.A. Kooy, 1959
Titelblad van de studie van G.A. Kooy uit 1959.

Maar in tegenstelling tot het boek van Heuvel, heeft Kooy’s boek de weg naar de massa niet gevonden. Toch is het door Kooy geschetste nieuwe(re) Achterhoeks boerenleven veel herkenbaarder, dan het romantische en historiserende boerenleven van Heuvel. Ook nu nog. Zonder het belachelijk te willen maken, zouden passages daaruit een inspiratiebron geweest kunnen zijn voor Dieka en Moo van de Wierdense Revue (weliswaar Twente, maar soms zijn de verschillen niet zo groot).

Boerenwerk. 100 jaar GMvL afdeling Eibergen (1995)
Boerenwerk. Honderd jaar Afdeling Eibergen van de Geldersche Maatschappij van Landbouw, 1895-1995. Dit boek verscheen bij gelegenheid van het eeuwfeest, dat nagenoeg ook het einde betekende van deze afdeling die verder ging met andere lokale ‘standsorganisaties’

Toch hebben die oude en nieuwere Achterhoekse boeren niet alleen generatieconflicten ‘achter de pöste’ uitgevochten, maar hebben wel degelijk de signalen van de nieuwe tijd opgepakt. Na de markenverdelingen in de negentiende eeuw kregen tal van jongere boerenzonen (en soms ook -dochters) een kans om zelf een boerderij te beginnen. Boeren verenigden zich vanaf het einde van de negentiende eeuw  lokaal in coöperatieve aan- en verkoopverenigingen. In Gelderland was daarbij  aanvankelijk een grote rol weggelegd voor een organisatie als de Geldersche Maatschappij van Landbouw. Coöperatieve zuivelfabrieken en aan- en verkoopverenigingen werden alom opgericht en vanaf de Eerste Wereldoorlog vielen vooral de aan- en verkoopverenigingen ten prooi aan de verzuiling. De boerinnen verenigden zich, zij  het in de regel  later, in boerinnenbonden, die eveneens volgens zuilen georganiseerd waren. In de Tweede Wereldoorlog verbood de Duitse bezetter de standsorganisaties. De aan- en verkoopverenigingen mochten blijven bestaan: zij dienden immers een economisch doel.
In de laatste drie decennia van die eeuw vond opschaling plaats, parallel aan het langlopende proces dat op de boerenbedrijven zelf plaats had. Door ontzuiling werden de overgebleven boeren nu verenigd in gemeentelijke afdelingen van LTO-Nederland.

Het is hier natuurlijk niet de plaats om in te gaan op specifieke ontwikkelingen, maar ik zie in die lokale coöperaties en standsorganisaties een typisch twintigste eeuws fenomeen, waarvoor tot nu toe te weinig systematisch aandacht is geweest. Zo ook in de Achterhoek, waar het Lochemse bedrijf For Farmers voortgekomen is uit een fusiegolf van aan- en verkoopcoöperaties in Oost-Nederland. Waar zijn al die lokale archieven gebleven? De archieven van de vroegere Achterhoekse zuivelcoöperatie Coberco, eveneens uit fusies van lokale coöperaties voortgekomen en inmiddels alweer verder opgeschaald, berusten in het Regionaal Archief Zutphen, maar ik vermoed dat maar weinig mensen dat weten. De coöperatie was stevig geworteld in de Achterhoek, ook wetenschappelijk en politiek. De Achterhoek, beter gezegd Borculo, heeft  de eerste bijzonder hoogleraar Coöperatieleer voortgebracht, G. J. ter Woorst (1984), die eerder voor de Katholieke Volkspartij deel uitmaakte van het toen zo genoemde ‘groene front’.

De tijd staat niet stil. De opschaling gaat door, de ontbinding van de ‘agrarische Achterhoek’ ook. Dat heeft gevolgen voor de (lokale)geschiedschrijving die zich steeds meer richt op recente, dus door lezers nog (mee)beleefde geschiedenis, die bovendien kort en beeldend moet zijn. Maar wij bouwen verder op de fundamenten die onze ouders en grootouders hebben gelegd, de nieuwere Achterhoekers. Het is ook een taak van de lokale geschiedschrijving die onzichtbare fundamenten zichtbaar te maken en een taak voor archiefdiensten om archieven van die organisaties te verwerven, omdat ze een uniek beeld vormen van de landbouwgeschiedenis van de vorige eeuw.

In de wetenschap dat wij nog enkele uren verwijderd zijn van het Achterhoekjaar 2018, wens ik u allen het beste voor het nieuwe jaar.

Bennie te Vaarwerk

De Nieuwe Brug over de Berkel in Eibergen (1837)

Funderingswerkzaamheden voor de nieuwste brug over de Berkel in Olden Eibergen, nabij de Stokkersbrug. Rechts de tijdelijke hulpbrug. (18 september 2017)

Op dit moment worden de fundamenten gelegd voor het grootste infrastructurele werk over de Berkel in Eibergen in 180 jaar. De nieuwste brug over de al eveneens nieuwste N18 ligt op een steenworp afstand van wat waarschijnlijk de oudste brug onder Eibergen is: de Stokkersbrug (al is die pas een stuw sinds ca. 1970). De nieuwe weg ligt in het hier in Olden Eibergen steeds breder wordende Berkeldal. Het enorme weglichaam aan weerszijden van de nieuwe brug heeft het uitzicht verwoest dat je altijd had vanaf de Stokkersbrug naar het westen.
Het is te hopen dat Rijkswaterstaat bij de berekeningen en voorbereiding van de bouw van de nieuwe autoweg beter rekening heeft gehouden met overstromingsrisico’s dan de Provinciale Rijkswaterstaat deed in de jaren 1834-1837.

De Nieuwe Brug over de Berkel in de N18 bij Eibergen. De eerste houten voorganger werd gebouwd in 1837. Belangrijkste aandrijver daarvan was de stichter van de fabriek (1834) op de achtergrond, J.B.P. Bouquié. Inmiddels is de Kastanjefabriek, zoals het pand nu in de volksmond heet, fraai gerestaureerd. De ‘Kastanjefabriek’, genoemd naar de bomen die ooit voor het pand stonden, wordt ook de naam van het hotel dat in dit pand gevestigd wordt (situatie 2014).

Want is laatstgenoemd jaar kwam de eerste brug over de Berkel bij Eibergen gereed, een brug die, omdat hij nieuw was, altijd de ‘Nieuwe Brug’ is blijven heten. Daarom wordt het ook hoog tijd die naam te vereeuwigen op deze brug. De Nieuwe Brug markeert een wending in de geschiedenis van Eibergen en zelfs van de Achterhoek. Je mag, nee je móet de brug beschouwen als het begin van de N18 of, in de volksmond, de Twenteroute (alleen onder Varsseveld een formele wegbenaming). Die weg werd bij stukje en beetjes aangelegd vanaf de jaren ’50 van de negentiende eeuw, in 1837 eerst als verbetering van de verbinding tussen het dorp Eibergen, Mallem en Neede.

In juni 1834 had J.B.P. Bouquié,  een rijksambtenaar werkzaam op het ministerie van Koloniën, zich in Eibergen gevestigd. Hij bouwde er een textielfabriek op de Reuverskamp aan de Berkel, waar rond de jaarwisseling al enkele wevers werkten. Door bemiddeling van burgemeester Van Heeckeren was het terrein van de Provisorie en Diaconie van Eibergen aangekocht.

De Reuverskamp in het Maatboek van 1810. Op dit perceel van de Provisorie en Diaconie van Eibergen bouwde Bouquié in 1834 zijn fabriek. Hij eiste er wel een brug bij.

Dat perceel was tot dan toe in pacht bij Jan Wennink op de Reuver in Mallem. Kennelijk heeft men eerst wel een ander terrein op het oog gehad, maar was dat niet geschikt vanwege de grootte van het gebouw. Bouquié stelde als eis dat er bij vestiging op de Reuverskamp een brug over de Berkel zou worden gebouwd, ‘want zonder dat middel van communicatie is het praktisch onmogelijk om daar een fabriek (‘atelier’) te bouwen’, schreef hij aan burgemeester Van Eckeren[!] op 22 december 1834. Hij wilde dat de gemeenteraad nu eens eindelijk zou besluiten tot de bouw van de brug. Dat was gemakkelijker geschreven dan gerealiseerd, want Eibergen was toen een armlastige gemeente. Tot overmaat van ramp kwam daar in januari 1835 het overlijden van de in Eibergen zeer geliefde burgemeester Van Heeckeren bij. Alles wat in Oost-Gelderland bestuurlijk iets voorstelde was wel verwant aan of had een goed netwerk met de in de Graafschap (en de Provincie!) nog steeds machtige Van Heeckerens.  De man had verder het voordeel gehad, dat hij door zijn verwantschap aan de Von Mulerts goede relaties had met die familie, eigenaar van de heerlijkheid Mallem,  en haar te Eibergen residerende rentmeester De la Fontaine Verweij.  Na zijn overlijden werd het burgemeestersambt tijdelijk waargenomen door G. Smits, een telg uit een oude Eibergse bestuurders- en koopmansfamilie, totdat voorzien werd in de vacature door de benoeming van de uit Wijchen afkomstige ex-officier C.H. Koentz. Het gemeentebestuur van Eibergen was voor realisatie van de plannen afhankelijk van subsidies van Provincie en Rijk En ook toen werkten ambtelijke en bestuurlijke molens al langzaam. Toch werd al vanaf 1834 gewerkt aan een oplossing van de communicatieproblematiek tussen beide oevers.

Het vonder over de Berkel bij Eibergen in het Maatboek van 1810. Het was eigendom van de Mark van Mallem, die het ook moest onderhouden. Vanwege de lage weiden (en de toen nog smalle rivier) was het vonder verlengd om de overkant met droge voeten te kunnen halen.

Tot 1834 lag op de plek van de latere Berkelbrug een voetgangersvonder, eigendom van de Mark van Mallem, die ook de onderhoudsplicht had. In de bronnen wordt het vaak het ‘Hoge Vonder’ genoemd. Het stadje Eibergen had vóór 1837 geen brugverbinding met de noordelijke oever. De dichtstbij gelegen bruggen waren de Stokkersbrug in Olden Eibergen en de brug over de sluis en stuwbrug in Mallem. Het zuid-noord-vrachtverkeer ging vanaf Eibergen over een oud weggetje over de monding van de Ramsbeek, waarin de Polbrug lag, over de Pol naar de voort in de Berkel. Op de noordoever was een holle weg tussen de bouwkampen de Schephorst (nu Joodse begraafplaats, zie onderstaande kaart, daar ‘kerkhof’ genoemd ) en de Reuverskamp. Dan liep de weg over het Wievenveld om ter hoogte van het erve De Reuver aan te sluiten op de oude oost-west lopende hessenweg van Oldenkotte via Neede (herberg de Meijer) naar Deventer. De route is nog deels traceerbaar. In het bos aan de Berkel markeert een laagte tussen Joodse begraafplaats en fabrieksterrein de oude holle weg die daar aansloot op de voort door de Berkel.

Detail van de verdelingskaart van de Mark van Mallem, ca. 1840. Middenonder: de fabriek van Bouquié (met aanbouw!). De nieuw-ontworpen (marken-)wegen zijn met stippellijnen weergegeven. De weg naar Neede was al gerealiseerd. ‘Kerkhof’ is de nog bestaande Joodse begraafplaats (‘Jöddenbulten’ in de volksmond), op de Schephorst aan de Berkel. Tussen de Schephorst en de Reuverskamp (met de fabriek van Bouquié) loopt de oude – holle -weg vanaf de voorde door de Berkel naar het noorden. Het ontwerp van de latere Rekkensebinnenweg is ook al te zien, evenals het Wievenveld, met op de hoek van de Rekkensebinnenweg het ‘Witte Huis te Mallem’ van leerlooier Van Breda. Dat Bouquié mogelijk nog uitbreidingsplannen had, kan afgeleid worden uit het feit dat hem bij de markenverdeling ook gronden waren toebedeeld in het verlengde van het perceel dat hij al bezat.
Links op de kaart erve het Vunderink, dat zijn naam ongetwijfeld te danken heeft aan het vonder over de Berkel.

De verkeersbewegingen, in onze contreien nog tot in de negentiende eeuw hoofdzakelijk gebaseerd op het vervoer van agrarische producten naar de IJsselsteden Zutphen en (vooral) Deventer en het importeren van luxeproducten vanuit die steden, was dus vooral oost-west gericht. De Berkelscheepvaart speelde af en toe ook nog een rolletje als die rivier tenminste bevaarbaar was. Knelpunt onder Eibergen was vooral de Berkel op het Knollenbroek onder Mallem, die daar voortdurend verzandde.

Ondertussen was Bouquié alvast begonnen met de productie van calicots. In het verslag van de districtscommissaris, het hoofd van een bestuurslaag tussen provincie en gemeenten,  over 1834 aan de gouverneur van Gelderland, is een passage opgenomen over de economische toestand van Eibergen en de impact van de komst van de calicotsfabriek van Bouquié:

‘In de gemeente Eibergen zijn nog aanwezig 2 water- en 2 windkorenmolens, 2 wateroliemolens en een rosoliemolen, 1 waterruwmolen, 2 steenbakkerijen, waarvan eene tevens met eene pannebakkerij verbonden is, 2 bierbrouwerijen, 2 katoenspinnerijen, 1 leerlooijerij waarin ook leder voor boekbinders vervaardigd wordt, 1 leerlooijerij voor de schoenmakers in het dorp Eibergen en eene blaauwververij aldaar. Deze fabryken hebben in 1834 aanhoudend werk en debiet gehad, met uitzondering van de bierbrouwerijen die sedert eenige jaren niet veel meer te doen hebben, en de blaauwververij die bijna stilstaat ten gevolge van de goedkope prijzen der katoenen.

Ook houdt zich sedert juni 1834 in die gemeente de heer J.B.P. Bouquié met de oprigting eener fabryk van calica bezig, welke aanvankelijk in werking is en waarin reeds een aantal wevers werkzaam zijn. Deze fabryk schijnt voor de ingezetenen van de minvermogende volksklasse gunstige vooruitzigten te openen, dewijl kinderen van 10 jaren en daarboven daardoor in de gelegenheid gesteld worden door hunnen arbeid tot de vervulling der behoeften van de huisgezinnen tot welke zij behooren, geene onaanzienlijke bijdragen te leveren, hoezeer het van den anderen kant te vreezen is, dat het onderwijs en de opvoeding van zoodanige kinderen daardoor nadeel zal lijden’.

Het eerste plan van het gemeentebestuur (1834) was gericht op het verbeteren van de bestaande weg naar het vonder en het vonder zelf. Maar dat plan verdween vrij snel van tafel, want voldeed niet aan de eis van de fabrikant.

Het eerste plan, afkomstig van de gemeente, met verbetering van de bestaande weg vanuit het dorp en vervolgens een nieuwe dijk naar het te verlengen vonder over de Berkel. Ter oriëntatie: ‘Samuel ‘ is nu het Wapen van Eibergen, het ‘Brouwhuis’, staat op oude foto’s nog als het Pension Ledeboer en is in de jaren ’30 van de 20ste eeuw gesloopt, toen de kruising van de Grotestraat met de Haaksbergseweg en de nieuwe rondweg, de Wilhelmweg, gerealiseerd werd. ‘De Hof’ is waar nu garage Grooters gevestigd is. Wat nu de Hondevoort is (langs ‘C’), was toen het pad naar Rekken. De oude Hondevoort liep vóór Grooters langs, met het laagste punt bij ‘D’ (nu nog te zien), waar de Ramsbeek en de Simmelinkgoot zich verenigden tot de Pollegotte, die vóór de Pol in de Berkel uitmondde. De oude weg naar de voorde door de Berkel is lichtgroen gekleurd en liep vanaf het dorp langs de Simmelinkgoot en Pollegotte, waarin de Polbrug lag, langs het perceel ‘den Pol’ naar de Berkel, om tussen de Joodse begraafplaats en de Reuverskamp via een holle weg naar het noorden te lopen. Het gemeentebestuur had terecht een verlaat opgenomen in de plannen (bij f), om de Berkel bij hoog water de gelegenheid te geven over de Wemermaat uit te stromen en zo nog vervelender gevolgen te voorkomen. In wat op de kaart ‘Harbersweide’ heet staat nu een villa met de naam ‘De Pol’, op grond van deze kaart dus een onjuiste naam. Het noorden is op deze kaart rechts.
Het begin van de Grotestraat aan de oostzijde van het dorp, eerste kwart van de twintigste eeuw, ter hoogte van Pension Ledeboer (links). Daarachter het Wapen van Eibergen.
Gezicht op Eibergen vanaf de Berkeloever in Mallem. Op de voorgrond de huidige oude Berkel langs de Joodse begraafplaats. Op de achtergrond de Protestantse kerk, villa Ilthios, die nu pal aan de Berkel staat bij de Nieuwe Brug, en, vaag, de nieuwe r.-k. kerk uit 1935.

Het vonder was nog eigendom van de Mark van Mallem, die er wel vanaf wilde. In de vergadering van de mark van 16 maart 1835 bij Hofman in Mallem, werd besloten,

‘ten opzigte der noodzakelijk te doene raparatien aan het hooge vonder door geërfdens is besloten aan de heeren J. Bisperink, J.G. de la Fontaine Verweij, H. Grijzen en G.J. Meijers op te dragen om met het plaatselijk bestuur van Eibergen in onderhandeling te treden wegens de overneming van het onderhoud van het gemelde vonder door de gemeente, welk vonder door een waarschijnlijk te maken brug over de Berkel zal komen te vervallen en dat daarvan  dan uitslag en hunne gevoelens op den eerstkomenden markendag aan de geërfdens mede te deelen.’

Dat is ongetwijfeld gebeurd, maar een verslag van de eerstvolgende (?) markenvergadering dateert pas uit 1859.

In ieder geval ging de in Zutphen woonachtige Rijkswaterstaatingenieur Dibbets aan de slag met een plan voor een vaste oeververbinding in de vorm van een brug en een nieuwe dijk daar naar toe. Het plan voorzag ook in een overlaat, die kritieke waterhoogten moest reguleren (zie onderstaande kaart). Er werd subsidie aangevraagd, maar het plan werd te duur bevonden, zodat de overlaat geschrapt werd. Ter compensatie werd het weglichaam iets minder hoog gemaakt.

In 1835 ontwikkelde Waterstaatsingenieur Dibbets een plan voor een brug over de Berkel. Dat plan voorzag ook in een overlaat ter hoogte van de samenvloeiing van de Ramsbeek met de Simmelinkgoot. Voor de vrije uitstroom van het water over de Wemermaat was het afgraven van weidelanden aan de westzijde van de nieuwe weg nodig. Op die plek bevindt zich nu een duiker onder de Haaksbergseweg, die overgaat in de verlengde oude Ramsbeek. Een voorgestelde verlegging van de Berkel heeft helemaal geen doorgang gevonden. De bijna haakse bocht bleef gehandhaafd.

Het verbeterde plan volgde in 1836. De opmeting dateert van 10 februari 1836 door opzichter De Haan van Provinciale Waterstaat. Het is een zeer gedetailleerde tekening van de oude én nieuwe situatie. Bijzonder is de tekening van het lange (hoge) vonder naast de nieuwe Berkelbrug. Een optie is kennelijk ook geweest om de oude weg over de monding van de Pollegotte te verbeteren en te voorzien in twee nieuwe bruggen, nl. over de Pollegotte en over de Berkel achter de fabriek van Bouquié. Aan overbrugging van de voort werd kennelijk niet gedacht:

Vernieuwde plannen voor de Berkelbrug bij Eibergen, 1836. Het noorden is rechts. Ten westen (hier dus boven) van de geprojecteerde nieuwe brug staat ‘Brug voor voetgangers’. Dit was het oude Mallemse of Hoge Vonder. De oude weg naar de voort door de Berkel is helemaal onderaan nog te zien. Het bruggetje in die weg is de Polbrug. Aan de linkerkant van het oude weggetje naar de voort lag het perceel met de naam ‘de Pol’.

Eind 1836 vond dan eindelijk de aanbesteding van de werkzaamheden plaats:

Bericht van aanbesteding van de bouw van de nieuwe brug over de Berkel in Eibergen met de weg er naar toe. (Arnhemsche Courant)

In de zomer van 1837 kwam na bijna drie jaren van voorbereidingen en bezuinigingen de brug over de Berkel gereed met het daarbij behorend nieuw en hooggelegen weggedeelte in het toch al smalle Berkeldal bij Eibergen vanaf de huidige Grotestraat tot de huidige Needseweg.

Tekening van de Nieuwe Brug over de Berkel bij Eibergen, zoals hij uiteindelijk gerealiseerd werd. De tekening is van  ca. 1845.

Maar in december 1837, nu bijna 180 jaar geleden dus, sloeg het noodlot toe. Door hevige regenval overstroomde de Berkel en zijn bij Eibergen daarin stromende zijrivier de Ramsbeek. Het nieuwe dijklichaam fungeerde als een stuw. Door verzadiging dreigde de dijk te bezwijken. De enige plek waar het water weg kon, was de nieuwe brug. In die vernauwing daar schuurde het water met grote kracht het rivierbed uit, waardoor de houten pijlers uitgespoeld werden. Eibergen haalde de landelijke kranten. Het Algemeen Handelsblad berichtte op 29 december 1837:

Bericht in het Algemeen Handelsblad van 29-12-1837 over de overstromingen te Eibergen. Soortgelijke berichten kan men vinden in andere kranten, zodat het vermoeden bestaat dat er maar één correspondent in de gemeente was. (Delpher)

De brug werd in 1838 hersteld, eerst vele jaren later volgde de overlaat, voorzien van een bruggetje,  zoals op onderstaande detail uit een ansichtkaart met Jugendstil-omlijsting te zien is op de achtergrond. In de weide rechts op de foto (de Harbersweide op de oudere kaarten) staan nu villa’s, w.o. Ilthios en de Pol. De laatste naam is onjuist op die plek, zoals eerder aangegeven.

De Nieuwe Brug, ca. 1900, detail van een ansichtkaart. Op de achtergrond het bruggetje over de later alsnog gerealiseerde overlaat. Op de verdere achtergrond het dorp.

Nog een klein jaar geduld en dan kunnen de Eibergenaren weer wandelen over de dan oude Twenteroute naar de prachtig gerestaureerde fabriek, dan hotel, van Bouquié.

De Mallemse Fabriek of Kastanjefabriek uit 1834 op Koningsdag 2017. Door de restauratie zijn de verschillende bouwdelen goed zichtbaar geworden. Ook latere wijzigingen zijn behouden of herkenbaar gebleven. En dat is goed.

‘Alles is moar ’n tied lank’, zei Hendrik Odink al.

Bennie te Vaarwerk

 

Topstukken

Bijgewerkt 9 augustus 2017

Wat moet ik nog zeggen over archiefonderzoek? Laatst zei iemand dat ik me dan wel in een snoepwinkel zou wanen. Soms lijkt het daar wel op, en vandaag leverde onderzoek in het Gelders Archief een paar topvondsten op, althans in mijn opvatting. Nog leuker wordt het, als je nog zelf in de pakken papier mag bladeren. Ik vrees de dag dat je alleen nog onderzoek via het internet kunt doen. De geur van en het gevoel bij archiefstukken laat zich niet vangen in foto’s.

Momenteel concentreert zich mijn onderzoek rond de thema’s geschiedenis van de N18, van de markenverdelingen in de negentiende eeuw in de voormalige heerlijkheid Borculo en Willem Sluiter en de Achterhoek. In 2018 is het 350 jaar geleden dat de Eibergse predikant-dichter zijn beroemd geworden zinsnede publiceerde over de ‘achter-hoek’. De N18 krijgt, zoals de volgers van mijn twitteraccount en website kunnen weten, een opvolger in de vorm een nieuwe autoweg van Groenlo naar Enschede, die onder Eibergen voor een groot deel over voormalige markengrond gaat. Bovendien is het dit jaar precies 180 jaar geleden dat in Eibergen een brug over de Berkel gebouwd werd, die beschouwd moet worden als het begin van de latere Twenteroute, de populaire benaming voor de N18. In december 1837 stortte de nieuwe brug bijna in als gevolg van een ongekende overstroming. Op beide gebeurtenissen kom ik in een afzonderlijk blog terug. Bij elkaar levert dat veel nieuw bronnenmateriaal op, dat de komende tijd nader bestudeerd wordt.

Wat dat onderzoek ook oplevert, zijn veel ‘bijvangsten’, die soms misschien nog niet direct een verhaal opleveren, maar die ik u ook niet wil onthouden. De meest bijzondere gevallen zijn de gesloopte kerk van Gelselaar en de verbouwde kerk van Geesteren.

Constructietekening van Waterstaatsarchitect T. Buerink van de kerk van Gelselaar uit 1840. Hoeveel schilderachtiger zou Gelselaar nu zijn geweest als deze kerk behouden had kunnen worden? (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 367)

In de eerste plaats zijn daar een constructietekening en een plattegrond van de oude kerk van Gelselaar uit 1840. Kennelijk is er eerst een poging gedaan de bouwvallige kerk te behouden. Uiteindelijk is dat niet gebeurd en  werd de middeleeuwse kerk gesloopt en vervangen door de huidige.  Net als de moederkerk, die van Neede, had de Gelselaarse kapel (en vanaf 1616 zelfstandige gereformeerde gemeente) een hoger koor en lager schip(je). Volgens onderstaande plattegrond had de kerk een totale lengte van ruim 17 meter.

De plattegrond van de oude kerk van Gelselaar uit 1840, getekend door T. Buerink. (GldA, 0108 RWS, inv.nr. 367).
Op 14 april 1841 werd de eerste steen gelegd voor het huidige kerkje van Gelselaar, dat dus het laatmiddeleeuwse/16de eeuwse kerkje verving.

In 1841 werd de eerste steen gelegd voor het nieuwe kerkgebouw.  Gelukkig is de oude kerk door de bewaard gebleven tekeningen van Buerink goed gedocumenteerd.

Rijkswaterstaat, dat zich tot in het derde kwart van de negentiende eeuw bemoeide met de kerkenbouw (waaruit de zgn. Waterstaatskerken voortkwamen, waarvan een goed voorbeeld nog in Laren Gld. te zien is), heeft ook een plan gemaakt voor herstellingen aan de kerk van Geesteren. Ook daarvan zijn een constructietekening  en een plattegrond bewaard gebleven ,waarop ondermeer de ‘Borculose’ kapel aan de Geesterse moederkerk nog te zien is.

De zuidzijde van de kerk van Geesteren, 1836. De Waterstaatsarchitect adviseerde om kerk en koor onder één kap onder te brengen, zodat het plafond (!) in de kerk ook op gelijke hoogte kon blijven. Hij adviseerde om een van de ‘kapellen of vleugelgebouwen’, die beide bijna geheel vervallen waren, te herbouwen als consistoriekamer, en de ander te slopen en het afbraakmateriaal te hergebruiken voor het dichtmetselen van de muur tussen koor en te slopen kapel. (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 246)

De ‘kapellen of vleugelgebouwen’ zijn op de deze tekeningen flink hoger dan de latere herbouwen, zoals men nu nog kan zien:

De kerk van Geesteren, gezien vanaf de zuidzijde. Met de latere en lagere aanbouw op de plek van de voormalige kapel.
De plattegrond van de kerk van Geesteren, met de beide oude kapellen of ‘vleugelgebouwen’. Opvallend zijn de houten pilaren aan een zijde in de kerk (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 246)

Tot nu tot hebben we bemoeienissen gezien van Waterstaat met toen bestaande kerken. Maar Rijkswaterstaat heeft ook nieuwe kerken ontworpen, zoals die van Rietmolen in 1834. Ter vergelijking het veel luxere ontwerp voor de hervormde kerk van Hummelo:

Ontwerp van de voorgevel voor de kerk van Rietmolen door Watertstaatsarchitect G.J. Dibbets, 1834. (NA, 4WID, inv.nr. 202).
Ontwerp-voorgevel voor de te vervangen kerk van Hummelo van Waterstaatsarchitect G.J. Dibbets. (NA, 4WID, inv.nr. 200) N.B. Volgens een mededeling die ik op 9 augustus via Twitter ontving, is de (huidige) kerk van Hummelo géén Waterstaatskerk.

In de volgende galerij nog wat meer details uit de Waterstaats-ontwerpen van de tekeningen voor de rooms-katholieke kerk van Rietmolen en de Nederlandse Hervormde kerk van Hummelo. De bankenplannen (interieurs) geven in essentie de verschillen weer tussen de hervormde kerk (banken gegroepeerd in een halve cirkel rond de preekstoel, van waaraf het Woord wordt verkondigd) en de katholieke kerk, waar het bankenplan gericht is op het altaar, waar het misoffer door de priester wordt gecelebreerd, met de gelovigen als toeschouwer.

De jaren ’20 en ’30 van de negentiende eeuw zijn ook jaren waarin veel plannen voor nieuwe wegen worden gemaakt. De weg Zutphen-Winterswijk via Groenlo, waarvoor in 1827 door Dibbets een plan werd gemaakt, is er daar één van. Op deze kaart van de gemeente Groenlo,  is de nieuwe rijksweg met een dikke rode streep weergegeven.

Detail van een kaart van de gemeente Groenlo, ongedateerd [2de kwart 19de eeuw], geen kaartenmaker vermeld of bekend. Vermoedelijk gemaakt ten behoeve van werken aan de Slinge. (NA, 4Aanw, inv.nr. 439-12)
In 1829 maakte Waterstaatsarchitect G.J. Dibbets een tekening voor een hek voor de Beltrummer- en Lievelderpoorten in Groenlo, compleet met slot. Of ze ooit zo uitgevoerd zijn, zal een ter plaatse deskundige wel weten.

Ontwerp voor een hekwerk voor de Beltrummer- en Lievelderpoorten te Groenlo van G.J. Dibbets, 1829 (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 411)

Dibbets heeft zich ook intensief bemoeid met de wegaanleg Eibergen-Neede en de bouw van de eerste Berkelbrug in Eibergen, in 1837. Daarop kom ik in een afzonderlijk blog nog terug, maar hier alvast zijn ontwerp voor de weg op Needs grondgebied, dus vanaf de Voort, zo ongeveer tegenover de Needse kerk op de hoek Oudestraat-Stationsweg,  tot het erve Schurink in Hoonte. Opvallend is dat de beoogde weg liep door de Voort, waarvan de architect  in de weg opmerkt: ‘de voort, een lage, meest altijd onder water staande weg, tevens voor waterleiding dienende, niet als buurtweg bekend’. Nog steeds ligt de weg in het oudere deel van het dorp lager dan de omgeving aan weerszijden, dus een waterafvoerende functie was er wel. De plannen voor de weg maakten ook dat de architect opmerkte dat het ‘Voortvonder in de togtgraven zal kunnen vervallen’.

Ontwerp van een weg Neede- Eibergse grens, 1836, door G.J. Dibbets. (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 363)

Huize ‘De Voort’ op de hoek Oudestraat-Stationsweg. Daarachter ligt de wijk de Hofmaat. Toen die wijk werd gebouwd, is de Stationsweg doorgetrokken.

Huize de Voort in Neede. Goed dat die historische naam op deze plek bewaard is gebleven.

Tenslotte nog een detail van een kaart van de grens bij Eibergen-Zwillbrock. Ook, omdat op 1 september a.s. het lang verwachte boek over de Eibergse buurschap Holterhoek verschijnt. De kaart is in 1827 gemaakt en hoort bij een overeenkomst tussen Nederland en Pruissen over het recht van klauwengang of ius compascuum, het recht op het gebruik van de gemene weidegronden. Het weidende vee trok zich immers niets aan van staatsgrenzen, die ook markengrenzen waren. Omdat ook de markenverdelingen aan beide zijden van de grens voortschreden, moesten ook nadere afspraken worden gemaakt over die oude weiderechten, die maar al te vaak aanleiding waren geweest voor conflicten tussen marken/kerspelen en daardoor ook een risicootje vormden voor de goede verhouding tussen staten. Een van de aardige dingen van het kaartje is dat het klooster Zwillbrock er nog in zijn oude U-vorm op vermeld wordt, hoewel het klooster al enkele jaren eerder voor afbraak was verkocht. Alleen de kerk en het aangrenzende kloosterdeel bleven behouden.

Detail van een kaart van de grens tussen Winterswijk/Ratum en Zwillbrock uit 1827. De kaart hoort bij een grensverdrag tussen Nederland en Duitsland van 11 april 1827 over het recht van klauwengang. (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 411)

Het verdrag voorzag ook een kleine grensaanpassingen, o.a. bij de Paalhaar in de Holterhoek. Daardoor werd Nederland (en dus ook de gemeente Eibergen is groter. Deze en andere grensaanpassingen waren meestal het gevolg van compensatiemaatregelen voor het verlies van weiderechten.

Aanpassing van de grens tussen Nederland en Pruissen in de Holterhoek in de omgeving van het erve Paalhaar. In artikel 3 van het verdrag werd de grensaanpassing als volgt omschreven: ‘Dewijl echter bevonden is, dat de Nederlandsche ingezetenen daar de opheffing van hun weideregt in het tot het vorstendom Munster behorende zoogenoemde Swilbroekerbosch, hetwelk volgens de vroeger vermelde overeenkomsten van 1765 en 1766 steeds open en onopgegraven moet blijven liggen, meer nadeel zouden lijden dan zij door opheffing van het weideregt der Munstersche ingezetenen op het Nederlandsche grondgebied aan die zijde bevoordeeld kunnen worden, zoo is men overeengekomen, dat de steenen no. 35 en 39 onveranderlijk blijven, doch de linie van no. 35 tot 36 zoo ver wordt verlengd, dat de steen no. 36 waar hij nu staat, weggenomen en op den hoek van Paalhaarskamp in het midden de sloot geplaatst wordt en voorts de steen no. 37 aan de zuidwestelijken hoek van genoemde kamp komt te staan, terwijl dan de steen no. 38 zoo ver voorbij den zuidwestelijke hoek van de kamp geplaatst wordt, dat tusschen de palen no. 36 en no. 39 de zeven en eenzevende bunder (5000 vierk. roeden Rhijnl. maat) gronds vallen, welke aan die van Eibergen en Rekken tot vergoeding voor het gemis van het weideregt in het Swilbroek toegewezen zijn, waarbij het groenland roede voor roede en het heideveld twee roede voor eene genomen zullen worden, zoo als dit op de hierneven gevoegde nieuwe kaart volgens geometrische bepaling aangewezen wordt. Hierbij zal dus aan die van Eibergen en Rekken overgaan een hoek, thans nog Pruissische grond, groot 7 1/7 bunder (vijfduizend vierkante Rhijnlandsche roeden), welke aan het grondgebied der Nederlanden, gemeente Eibergen, wordt ingelijfd, tegen opheffingen der bepalingen in het verdrag van den 22 october 1766 voorkomende, volgens welke het Swilbroeker gemeene bosch onopgegraven en open zoude blijven liggen, wordende dit broek of bosch na en tegen dezen afstand van alle servituten, welke daarop door boven omschreven verdrag gelegd waren, waren voor het vervolg ontheven. In welke bepaling door wederzijds belanghebbende zoo ver nodig en dienstig, is toegestemd.’ (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 411, Verdrag van 11 april 1827 tussen Nederland en Pruisen ter opheffing van de wederzijdse weiderechten, afschrift)

Het was weer een waar genoegen. Dank aan de bezochte archiefdiensten, Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, Nationaal Archief en Gelders Archief voor de prima dienstverlening. Ik kan voorlopig weer verder, ook al zijn niet al mijn vragen opgelost (o.a. de vraag waar Willem Sluiter woonde in Eibergen, toen hij zijn bekende achter-hoek-regel dichtte). Dus ik kom nog wel een keer terug.

Bennie te Vaarwerk