De Nieuwe Brug over de Berkel in Eibergen (1837)

Funderingswerkzaamheden voor de nieuwste brug over de Berkel in Olden Eibergen, nabij de Stokkersbrug. Rechts de tijdelijke hulpbrug. (18 september 2017)

Op dit moment worden de fundamenten gelegd voor het grootste infrastructurele werk over de Berkel in Eibergen in 180 jaar. De nieuwste brug over de al eveneens nieuwste N18 ligt op een steenworp afstand van wat waarschijnlijk de oudste brug onder Eibergen is: de Stokkersbrug (al is die pas een stuw sinds ca. 1970). De nieuwe weg ligt in het hier in Olden Eibergen steeds breder wordende Berkeldal. Het enorme weglichaam aan weerszijden van de nieuwe brug heeft het uitzicht verwoest dat je altijd had vanaf de Stokkersbrug naar het westen.
Het is te hopen dat Rijkswaterstaat bij de berekeningen en voorbereiding van de bouw van de nieuwe autoweg beter rekening heeft gehouden met overstromingsrisico’s dan de Provinciale Rijkswaterstaat deed in de jaren 1834-1837.

De Nieuwe Brug over de Berkel in de N18 bij Eibergen. De eerste houten voorganger werd gebouwd in 1837. Belangrijkste aandrijver daarvan was de stichter van de fabriek (1834) op de achtergrond, J.B.P. Bouquié. Inmiddels is de Kastanjefabriek, zoals het pand nu in de volksmond heet, fraai gerestaureerd. De ‘Kastanjefabriek’, genoemd naar de bomen die ooit voor het pand stonden, wordt ook de naam van het hotel dat in dit pand gevestigd wordt (situatie 2014).

Want is laatstgenoemd jaar kwam de eerste brug over de Berkel bij Eibergen gereed, een brug die, omdat hij nieuw was, altijd de ‘Nieuwe Brug’ is blijven heten. Daarom wordt het ook hoog tijd die naam te vereeuwigen op deze brug. De Nieuwe Brug markeert een wending in de geschiedenis van Eibergen en zelfs van de Achterhoek. Je mag, nee je móet de brug beschouwen als het begin van de N18 of, in de volksmond, de Twenteroute (alleen onder Varsseveld een formele wegbenaming). Die weg werd bij stukje en beetjes aangelegd vanaf de jaren ’50 van de negentiende eeuw, in 1837 eerst als verbetering van de verbinding tussen het dorp Eibergen, Mallem en Neede.

In juni 1834 had J.B.P. Bouquié,  een rijksambtenaar werkzaam op het ministerie van Koloniën, zich in Eibergen gevestigd. Hij bouwde er een textielfabriek op de Reuverskamp aan de Berkel, waar rond de jaarwisseling al enkele wevers werkten. Door bemiddeling van burgemeester Van Heeckeren was het terrein van de Provisorie en Diaconie van Eibergen aangekocht.

De Reuverskamp in het Maatboek van 1810. Op dit perceel van de Provisorie en Diaconie van Eibergen bouwde Bouquié in 1834 zijn fabriek. Hij eiste er wel een brug bij.

Dat perceel was tot dan toe in pacht bij Jan Wennink op de Reuver in Mallem. Kennelijk heeft men eerst wel een ander terrein op het oog gehad, maar was dat niet geschikt vanwege de grootte van het gebouw. Bouquié stelde als eis dat er bij vestiging op de Reuverskamp een brug over de Berkel zou worden gebouwd, ‘want zonder dat middel van communicatie is het praktisch onmogelijk om daar een fabriek (‘atelier’) te bouwen’, schreef hij aan burgemeester Van Eckeren[!] op 22 december 1834. Hij wilde dat de gemeenteraad nu eens eindelijk zou besluiten tot de bouw van de brug. Dat was gemakkelijker geschreven dan gerealiseerd, want Eibergen was toen een armlastige gemeente. Tot overmaat van ramp kwam daar in januari 1835 het overlijden van de in Eibergen zeer geliefde burgemeester Van Heeckeren bij. Alles wat in Oost-Gelderland bestuurlijk iets voorstelde was wel verwant aan of had een goed netwerk met de in de Graafschap (en de Provincie!) nog steeds machtige Van Heeckerens.  De man had verder het voordeel gehad, dat hij door zijn verwantschap aan de Von Mulerts goede relaties had met die familie, eigenaar van de heerlijkheid Mallem,  en haar te Eibergen residerende rentmeester De la Fontaine Verweij.  Na zijn overlijden werd het burgemeestersambt tijdelijk waargenomen door G. Smits, een telg uit een oude Eibergse bestuurders- en koopmansfamilie, totdat voorzien werd in de vacature door de benoeming van de uit Wijchen afkomstige ex-officier C.H. Koentz. Het gemeentebestuur van Eibergen was voor realisatie van de plannen afhankelijk van subsidies van Provincie en Rijk En ook toen werkten ambtelijke en bestuurlijke molens al langzaam. Toch werd al vanaf 1834 gewerkt aan een oplossing van de communicatieproblematiek tussen beide oevers.

Het vonder over de Berkel bij Eibergen in het Maatboek van 1810. Het was eigendom van de Mark van Mallem, die het ook moest onderhouden. Vanwege de lage weiden (en de toen nog smalle rivier) was het vonder verlengd om de overkant met droge voeten te kunnen halen.

Tot 1834 lag op de plek van de latere Berkelbrug een voetgangersvonder, eigendom van de Mark van Mallem, die ook de onderhoudsplicht had. In de bronnen wordt het vaak het ‘Hoge Vonder’ genoemd. Het stadje Eibergen had vóór 1837 geen brugverbinding met de noordelijke oever. De dichtstbij gelegen bruggen waren de Stokkersbrug in Olden Eibergen en de brug over de sluis en stuwbrug in Mallem. Het zuid-noord-vrachtverkeer ging vanaf Eibergen over een oud weggetje over de monding van de Ramsbeek, waarin de Polbrug lag, over de Pol naar de voort in de Berkel. Op de noordoever was een holle weg tussen de bouwkampen de Schephorst (nu Joodse begraafplaats, zie onderstaande kaart, daar ‘kerkhof’ genoemd ) en de Reuverskamp. Dan liep de weg over het Wievenveld om ter hoogte van het erve De Reuver aan te sluiten op de oude oost-west lopende hessenweg van Oldenkotte via Neede (herberg de Meijer) naar Deventer. De route is nog deels traceerbaar. In het bos aan de Berkel markeert een laagte tussen Joodse begraafplaats en fabrieksterrein de oude holle weg die daar aansloot op de voort door de Berkel.

Detail van de verdelingskaart van de Mark van Mallem, ca. 1840. Middenonder: de fabriek van Bouquié (met aanbouw!). De nieuw-ontworpen (marken-)wegen zijn met stippellijnen weergegeven. De weg naar Neede was al gerealiseerd. ‘Kerkhof’ is de nog bestaande Joodse begraafplaats (‘Jöddenbulten’ in de volksmond), op de Schephorst aan de Berkel. Tussen de Schephorst en de Reuverskamp (met de fabriek van Bouquié) loopt de oude – holle -weg vanaf de voorde door de Berkel naar het noorden. Het ontwerp van de latere Rekkensebinnenweg is ook al te zien, evenals het Wievenveld, met op de hoek van de Rekkensebinnenweg het ‘Witte Huis te Mallem’ van leerlooier Van Breda. Dat Bouquié mogelijk nog uitbreidingsplannen had, kan afgeleid worden uit het feit dat hem bij de markenverdeling ook gronden waren toebedeeld in het verlengde van het perceel dat hij al bezat.
Links op de kaart erve het Vunderink, dat zijn naam ongetwijfeld te danken heeft aan het vonder over de Berkel.

De verkeersbewegingen, in onze contreien nog tot in de negentiende eeuw hoofdzakelijk gebaseerd op het vervoer van agrarische producten naar de IJsselsteden Zutphen en (vooral) Deventer en het importeren van luxeproducten vanuit die steden, was dus vooral oost-west gericht. De Berkelscheepvaart speelde af en toe ook nog een rolletje als die rivier tenminste bevaarbaar was. Knelpunt onder Eibergen was vooral de Berkel op het Knollenbroek onder Mallem, die daar voortdurend verzandde.

Ondertussen was Bouquié alvast begonnen met de productie van calicots. In het verslag van de districtscommissaris, het hoofd van een bestuurslaag tussen provincie en gemeenten,  over 1834 aan de gouverneur van Gelderland, is een passage opgenomen over de economische toestand van Eibergen en de impact van de komst van de calicotsfabriek van Bouquié:

‘In de gemeente Eibergen zijn nog aanwezig 2 water- en 2 windkorenmolens, 2 wateroliemolens en een rosoliemolen, 1 waterruwmolen, 2 steenbakkerijen, waarvan eene tevens met eene pannebakkerij verbonden is, 2 bierbrouwerijen, 2 katoenspinnerijen, 1 leerlooijerij waarin ook leder voor boekbinders vervaardigd wordt, 1 leerlooijerij voor de schoenmakers in het dorp Eibergen en eene blaauwververij aldaar. Deze fabryken hebben in 1834 aanhoudend werk en debiet gehad, met uitzondering van de bierbrouwerijen die sedert eenige jaren niet veel meer te doen hebben, en de blaauwververij die bijna stilstaat ten gevolge van de goedkope prijzen der katoenen.

Ook houdt zich sedert juni 1834 in die gemeente de heer J.B.P. Bouquié met de oprigting eener fabryk van calica bezig, welke aanvankelijk in werking is en waarin reeds een aantal wevers werkzaam zijn. Deze fabryk schijnt voor de ingezetenen van de minvermogende volksklasse gunstige vooruitzigten te openen, dewijl kinderen van 10 jaren en daarboven daardoor in de gelegenheid gesteld worden door hunnen arbeid tot de vervulling der behoeften van de huisgezinnen tot welke zij behooren, geene onaanzienlijke bijdragen te leveren, hoezeer het van den anderen kant te vreezen is, dat het onderwijs en de opvoeding van zoodanige kinderen daardoor nadeel zal lijden’.

Het eerste plan van het gemeentebestuur (1834) was gericht op het verbeteren van de bestaande weg naar het vonder en het vonder zelf. Maar dat plan verdween vrij snel van tafel, want voldeed niet aan de eis van de fabrikant.

Het eerste plan, afkomstig van de gemeente, met verbetering van de bestaande weg vanuit het dorp en vervolgens een nieuwe dijk naar het te verlengen vonder over de Berkel. Ter oriëntatie: ‘Samuel ‘ is nu het Wapen van Eibergen, het ‘Brouwhuis’, staat op oude foto’s nog als het Pension Ledeboer en is in de jaren ’30 van de 20ste eeuw gesloopt, toen de kruising van de Grotestraat met de Haaksbergseweg en de nieuwe rondweg, de Wilhelmweg, gerealiseerd werd. ‘De Hof’ is waar nu garage Grooters gevestigd is. Wat nu de Hondevoort is (langs ‘C’), was toen het pad naar Rekken. De oude Hondevoort liep vóór Grooters langs, met het laagste punt bij ‘D’ (nu nog te zien), waar de Ramsbeek en de Simmelinkgoot zich verenigden tot de Pollegotte, die vóór de Pol in de Berkel uitmondde. De oude weg naar de voorde door de Berkel is lichtgroen gekleurd en liep vanaf het dorp langs de Simmelinkgoot en Pollegotte, waarin de Polbrug lag, langs het perceel ‘den Pol’ naar de Berkel, om tussen de Joodse begraafplaats en de Reuverskamp via een holle weg naar het noorden te lopen. Het gemeentebestuur had terecht een verlaat opgenomen in de plannen (bij f), om de Berkel bij hoog water de gelegenheid te geven over de Wemermaat uit te stromen en zo nog vervelender gevolgen te voorkomen. In wat op de kaart ‘Harbersweide’ heet staat nu een villa met de naam ‘De Pol’, op grond van deze kaart dus een onjuiste naam. Het noorden is op deze kaart rechts.
Het begin van de Grotestraat aan de oostzijde van het dorp, eerste kwart van de twintigste eeuw, ter hoogte van Pension Ledeboer (links). Daarachter het Wapen van Eibergen.
Gezicht op Eibergen vanaf de Berkeloever in Mallem. Op de voorgrond de huidige oude Berkel langs de Joodse begraafplaats. Op de achtergrond de Protestantse kerk, villa Ilthios, die nu pal aan de Berkel staat bij de Nieuwe Brug, en, vaag, de nieuwe r.-k. kerk uit 1935.

Het vonder was nog eigendom van de Mark van Mallem, die er wel vanaf wilde. In de vergadering van de mark van 16 maart 1835 bij Hofman in Mallem, werd besloten,

‘ten opzigte der noodzakelijk te doene raparatien aan het hooge vonder door geërfdens is besloten aan de heeren J. Bisperink, J.G. de la Fontaine Verweij, H. Grijzen en G.J. Meijers op te dragen om met het plaatselijk bestuur van Eibergen in onderhandeling te treden wegens de overneming van het onderhoud van het gemelde vonder door de gemeente, welk vonder door een waarschijnlijk te maken brug over de Berkel zal komen te vervallen en dat daarvan  dan uitslag en hunne gevoelens op den eerstkomenden markendag aan de geërfdens mede te deelen.’

Dat is ongetwijfeld gebeurd, maar een verslag van de eerstvolgende (?) markenvergadering dateert pas uit 1859.

In ieder geval ging de in Zutphen woonachtige Rijkswaterstaatingenieur Dibbets aan de slag met een plan voor een vaste oeververbinding in de vorm van een brug en een nieuwe dijk daar naar toe. Het plan voorzag ook in een overlaat, die kritieke waterhoogten moest reguleren (zie onderstaande kaart). Er werd subsidie aangevraagd, maar het plan werd te duur bevonden, zodat de overlaat geschrapt werd. Ter compensatie werd het weglichaam iets minder hoog gemaakt.

In 1835 ontwikkelde Waterstaatsingenieur Dibbets een plan voor een brug over de Berkel. Dat plan voorzag ook in een overlaat ter hoogte van de samenvloeiing van de Ramsbeek met de Simmelinkgoot. Voor de vrije uitstroom van het water over de Wemermaat was het afgraven van weidelanden aan de westzijde van de nieuwe weg nodig. Op die plek bevindt zich nu een duiker onder de Haaksbergseweg, die overgaat in de verlengde oude Ramsbeek. Een voorgestelde verlegging van de Berkel heeft helemaal geen doorgang gevonden. De bijna haakse bocht bleef gehandhaafd.

Het verbeterde plan volgde in 1836. De opmeting dateert van 10 februari 1836 door opzichter De Haan van Provinciale Waterstaat. Het is een zeer gedetailleerde tekening van de oude én nieuwe situatie. Bijzonder is de tekening van het lange (hoge) vonder naast de nieuwe Berkelbrug. Een optie is kennelijk ook geweest om de oude weg over de monding van de Pollegotte te verbeteren en te voorzien in twee nieuwe bruggen, nl. over de Pollegotte en over de Berkel achter de fabriek van Bouquié. Aan overbrugging van de voort werd kennelijk niet gedacht:

Vernieuwde plannen voor de Berkelbrug bij Eibergen, 1836. Het noorden is rechts. Ten westen (hier dus boven) van de geprojecteerde nieuwe brug staat ‘Brug voor voetgangers’. Dit was het oude Mallemse of Hoge Vonder. De oude weg naar de voort door de Berkel is helemaal onderaan nog te zien. Het bruggetje in die weg is de Polbrug. Aan de linkerkant van het oude weggetje naar de voort lag het perceel met de naam ‘de Pol’.

Eind 1836 vond dan eindelijk de aanbesteding van de werkzaamheden plaats:

Bericht van aanbesteding van de bouw van de nieuwe brug over de Berkel in Eibergen met de weg er naar toe. (Arnhemsche Courant)

In de zomer van 1837 kwam na bijna drie jaren van voorbereidingen en bezuinigingen de brug over de Berkel gereed met het daarbij behorend nieuw en hooggelegen weggedeelte in het toch al smalle Berkeldal bij Eibergen vanaf de huidige Grotestraat tot de huidige Needseweg.

Tekening van de Nieuwe Brug over de Berkel bij Eibergen, zoals hij uiteindelijk gerealiseerd werd. De tekening is van  ca. 1845.

Maar in december 1837, nu bijna 180 jaar geleden dus, sloeg het noodlot toe. Door hevige regenval overstroomde de Berkel en zijn bij Eibergen daarin stromende zijrivier de Ramsbeek. Het nieuwe dijklichaam fungeerde als een stuw. Door verzadiging dreigde de dijk te bezwijken. De enige plek waar het water weg kon, was de nieuwe brug. In die vernauwing daar schuurde het water met grote kracht het rivierbed uit, waardoor de houten pijlers uitgespoeld werden. Eibergen haalde de landelijke kranten. Het Algemeen Handelsblad berichtte op 29 december 1837:

Bericht in het Algemeen Handelsblad van 29-12-1837 over de overstromingen te Eibergen. Soortgelijke berichten kan men vinden in andere kranten, zodat het vermoeden bestaat dat er maar één correspondent in de gemeente was. (Delpher)

De brug werd in 1838 hersteld, eerst vele jaren later volgde de overlaat, voorzien van een bruggetje,  zoals op onderstaande detail uit een ansichtkaart met Jugendstil-omlijsting te zien is op de achtergrond. In de weide rechts op de foto (de Harbersweide op de oudere kaarten) staan nu villa’s, w.o. Ilthios en de Pol. De laatste naam is onjuist op die plek, zoals eerder aangegeven.

De Nieuwe Brug, ca. 1900, detail van een ansichtkaart. Op de achtergrond het bruggetje over de later alsnog gerealiseerde overlaat. Op de verdere achtergrond het dorp.

Nog een klein jaar geduld en dan kunnen de Eibergenaren weer wandelen over de dan oude Twenteroute naar de prachtig gerestaureerde fabriek, dan hotel, van Bouquié.

De Mallemse Fabriek of Kastanjefabriek uit 1834 op Koningsdag 2017. Door de restauratie zijn de verschillende bouwdelen goed zichtbaar geworden. Ook latere wijzigingen zijn behouden of herkenbaar gebleven. En dat is goed.

‘Alles is moar ’n tied lank’, zei Hendrik Odink al.

Bennie te Vaarwerk

 

Topstukken

Bijgewerkt 9 augustus 2017

Wat moet ik nog zeggen over archiefonderzoek? Laatst zei iemand dat ik me dan wel in een snoepwinkel zou wanen. Soms lijkt het daar wel op, en vandaag leverde onderzoek in het Gelders Archief een paar topvondsten op, althans in mijn opvatting. Nog leuker wordt het, als je nog zelf in de pakken papier mag bladeren. Ik vrees de dag dat je alleen nog onderzoek via het internet kunt doen. De geur van en het gevoel bij archiefstukken laat zich niet vangen in foto’s.

Momenteel concentreert zich mijn onderzoek rond de thema’s geschiedenis van de N18, van de markenverdelingen in de negentiende eeuw in de voormalige heerlijkheid Borculo en Willem Sluiter en de Achterhoek. In 2018 is het 350 jaar geleden dat de Eibergse predikant-dichter zijn beroemd geworden zinsnede publiceerde over de ‘achter-hoek’. De N18 krijgt, zoals de volgers van mijn twitteraccount en website kunnen weten, een opvolger in de vorm een nieuwe autoweg van Groenlo naar Enschede, die onder Eibergen voor een groot deel over voormalige markengrond gaat. Bovendien is het dit jaar precies 180 jaar geleden dat in Eibergen een brug over de Berkel gebouwd werd, die beschouwd moet worden als het begin van de latere Twenteroute, de populaire benaming voor de N18. In december 1837 stortte de nieuwe brug bijna in als gevolg van een ongekende overstroming. Op beide gebeurtenissen kom ik in een afzonderlijk blog terug. Bij elkaar levert dat veel nieuw bronnenmateriaal op, dat de komende tijd nader bestudeerd wordt.

Wat dat onderzoek ook oplevert, zijn veel ‘bijvangsten’, die soms misschien nog niet direct een verhaal opleveren, maar die ik u ook niet wil onthouden. De meest bijzondere gevallen zijn de gesloopte kerk van Gelselaar en de verbouwde kerk van Geesteren.

Constructietekening van Waterstaatsarchitect T. Buerink van de kerk van Gelselaar uit 1840. Hoeveel schilderachtiger zou Gelselaar nu zijn geweest als deze kerk behouden had kunnen worden? (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 367)

In de eerste plaats zijn daar een constructietekening en een plattegrond van de oude kerk van Gelselaar uit 1840. Kennelijk is er eerst een poging gedaan de bouwvallige kerk te behouden. Uiteindelijk is dat niet gebeurd en  werd de middeleeuwse kerk gesloopt en vervangen door de huidige.  Net als de moederkerk, die van Neede, had de Gelselaarse kapel (en vanaf 1616 zelfstandige gereformeerde gemeente) een hoger koor en lager schip(je). Volgens onderstaande plattegrond had de kerk een totale lengte van ruim 17 meter.

De plattegrond van de oude kerk van Gelselaar uit 1840, getekend door T. Buerink. (GldA, 0108 RWS, inv.nr. 367).
Op 14 april 1841 werd de eerste steen gelegd voor het huidige kerkje van Gelselaar, dat dus het laatmiddeleeuwse/16de eeuwse kerkje verving.

In 1841 werd de eerste steen gelegd voor het nieuwe kerkgebouw.  Gelukkig is de oude kerk door de bewaard gebleven tekeningen van Buerink goed gedocumenteerd.

Rijkswaterstaat, dat zich tot in het derde kwart van de negentiende eeuw bemoeide met de kerkenbouw (waaruit de zgn. Waterstaatskerken voortkwamen, waarvan een goed voorbeeld nog in Laren Gld. te zien is), heeft ook een plan gemaakt voor herstellingen aan de kerk van Geesteren. Ook daarvan zijn een constructietekening  en een plattegrond bewaard gebleven ,waarop ondermeer de ‘Borculose’ kapel aan de Geesterse moederkerk nog te zien is.

De zuidzijde van de kerk van Geesteren, 1836. De Waterstaatsarchitect adviseerde om kerk en koor onder één kap onder te brengen, zodat het plafond (!) in de kerk ook op gelijke hoogte kon blijven. Hij adviseerde om een van de ‘kapellen of vleugelgebouwen’, die beide bijna geheel vervallen waren, te herbouwen als consistoriekamer, en de ander te slopen en het afbraakmateriaal te hergebruiken voor het dichtmetselen van de muur tussen koor en te slopen kapel. (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 246)

De ‘kapellen of vleugelgebouwen’ zijn op de deze tekeningen flink hoger dan de latere herbouwen, zoals men nu nog kan zien:

De kerk van Geesteren, gezien vanaf de zuidzijde. Met de latere en lagere aanbouw op de plek van de voormalige kapel.
De plattegrond van de kerk van Geesteren, met de beide oude kapellen of ‘vleugelgebouwen’. Opvallend zijn de houten pilaren aan een zijde in de kerk (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 246)

Tot nu tot hebben we bemoeienissen gezien van Waterstaat met toen bestaande kerken. Maar Rijkswaterstaat heeft ook nieuwe kerken ontworpen, zoals die van Rietmolen in 1834. Ter vergelijking het veel luxere ontwerp voor de hervormde kerk van Hummelo:

Ontwerp van de voorgevel voor de kerk van Rietmolen door Watertstaatsarchitect G.J. Dibbets, 1834. (NA, 4WID, inv.nr. 202).
Ontwerp-voorgevel voor de te vervangen kerk van Hummelo van Waterstaatsarchitect G.J. Dibbets. (NA, 4WID, inv.nr. 200) N.B. Volgens een mededeling die ik op 9 augustus via Twitter ontving, is de (huidige) kerk van Hummelo géén Waterstaatskerk.

In de volgende galerij nog wat meer details uit de Waterstaats-ontwerpen van de tekeningen voor de rooms-katholieke kerk van Rietmolen en de Nederlandse Hervormde kerk van Hummelo. De bankenplannen (interieurs) geven in essentie de verschillen weer tussen de hervormde kerk (banken gegroepeerd in een halve cirkel rond de preekstoel, van waaraf het Woord wordt verkondigd) en de katholieke kerk, waar het bankenplan gericht is op het altaar, waar het misoffer door de priester wordt gecelebreerd, met de gelovigen als toeschouwer.

De jaren ’20 en ’30 van de negentiende eeuw zijn ook jaren waarin veel plannen voor nieuwe wegen worden gemaakt. De weg Zutphen-Winterswijk via Groenlo, waarvoor in 1827 door Dibbets een plan werd gemaakt, is er daar één van. Op deze kaart van de gemeente Groenlo,  is de nieuwe rijksweg met een dikke rode streep weergegeven.

Detail van een kaart van de gemeente Groenlo, ongedateerd [2de kwart 19de eeuw], geen kaartenmaker vermeld of bekend. Vermoedelijk gemaakt ten behoeve van werken aan de Slinge. (NA, 4Aanw, inv.nr. 439-12)
In 1829 maakte Waterstaatsarchitect G.J. Dibbets een tekening voor een hek voor de Beltrummer- en Lievelderpoorten in Groenlo, compleet met slot. Of ze ooit zo uitgevoerd zijn, zal een ter plaatse deskundige wel weten.

Ontwerp voor een hekwerk voor de Beltrummer- en Lievelderpoorten te Groenlo van G.J. Dibbets, 1829 (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 411)

Dibbets heeft zich ook intensief bemoeid met de wegaanleg Eibergen-Neede en de bouw van de eerste Berkelbrug in Eibergen, in 1837. Daarop kom ik in een afzonderlijk blog nog terug, maar hier alvast zijn ontwerp voor de weg op Needs grondgebied, dus vanaf de Voort, zo ongeveer tegenover de Needse kerk op de hoek Oudestraat-Stationsweg,  tot het erve Schurink in Hoonte. Opvallend is dat de beoogde weg liep door de Voort, waarvan de architect  in de weg opmerkt: ‘de voort, een lage, meest altijd onder water staande weg, tevens voor waterleiding dienende, niet als buurtweg bekend’. Nog steeds ligt de weg in het oudere deel van het dorp lager dan de omgeving aan weerszijden, dus een waterafvoerende functie was er wel. De plannen voor de weg maakten ook dat de architect opmerkte dat het ‘Voortvonder in de togtgraven zal kunnen vervallen’.

Ontwerp van een weg Neede- Eibergse grens, 1836, door G.J. Dibbets. (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 363)

Huize ‘De Voort’ op de hoek Oudestraat-Stationsweg. Daarachter ligt de wijk de Hofmaat. Toen die wijk werd gebouwd, is de Stationsweg doorgetrokken.

Huize de Voort in Neede. Goed dat die historische naam op deze plek bewaard is gebleven.

Tenslotte nog een detail van een kaart van de grens bij Eibergen-Zwillbrock. Ook, omdat op 1 september a.s. het lang verwachte boek over de Eibergse buurschap Holterhoek verschijnt. De kaart is in 1827 gemaakt en hoort bij een overeenkomst tussen Nederland en Pruissen over het recht van klauwengang of ius compascuum, het recht op het gebruik van de gemene weidegronden. Het weidende vee trok zich immers niets aan van staatsgrenzen, die ook markengrenzen waren. Omdat ook de markenverdelingen aan beide zijden van de grens voortschreden, moesten ook nadere afspraken worden gemaakt over die oude weiderechten, die maar al te vaak aanleiding waren geweest voor conflicten tussen marken/kerspelen en daardoor ook een risicootje vormden voor de goede verhouding tussen staten. Een van de aardige dingen van het kaartje is dat het klooster Zwillbrock er nog in zijn oude U-vorm op vermeld wordt, hoewel het klooster al enkele jaren eerder voor afbraak was verkocht. Alleen de kerk en het aangrenzende kloosterdeel bleven behouden.

Detail van een kaart van de grens tussen Winterswijk/Ratum en Zwillbrock uit 1827. De kaart hoort bij een grensverdrag tussen Nederland en Duitsland van 11 april 1827 over het recht van klauwengang. (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 411)

Het verdrag voorzag ook een kleine grensaanpassingen, o.a. bij de Paalhaar in de Holterhoek. Daardoor werd Nederland (en dus ook de gemeente Eibergen is groter. Deze en andere grensaanpassingen waren meestal het gevolg van compensatiemaatregelen voor het verlies van weiderechten.

Aanpassing van de grens tussen Nederland en Pruissen in de Holterhoek in de omgeving van het erve Paalhaar. In artikel 3 van het verdrag werd de grensaanpassing als volgt omschreven: ‘Dewijl echter bevonden is, dat de Nederlandsche ingezetenen daar de opheffing van hun weideregt in het tot het vorstendom Munster behorende zoogenoemde Swilbroekerbosch, hetwelk volgens de vroeger vermelde overeenkomsten van 1765 en 1766 steeds open en onopgegraven moet blijven liggen, meer nadeel zouden lijden dan zij door opheffing van het weideregt der Munstersche ingezetenen op het Nederlandsche grondgebied aan die zijde bevoordeeld kunnen worden, zoo is men overeengekomen, dat de steenen no. 35 en 39 onveranderlijk blijven, doch de linie van no. 35 tot 36 zoo ver wordt verlengd, dat de steen no. 36 waar hij nu staat, weggenomen en op den hoek van Paalhaarskamp in het midden de sloot geplaatst wordt en voorts de steen no. 37 aan de zuidwestelijken hoek van genoemde kamp komt te staan, terwijl dan de steen no. 38 zoo ver voorbij den zuidwestelijke hoek van de kamp geplaatst wordt, dat tusschen de palen no. 36 en no. 39 de zeven en eenzevende bunder (5000 vierk. roeden Rhijnl. maat) gronds vallen, welke aan die van Eibergen en Rekken tot vergoeding voor het gemis van het weideregt in het Swilbroek toegewezen zijn, waarbij het groenland roede voor roede en het heideveld twee roede voor eene genomen zullen worden, zoo als dit op de hierneven gevoegde nieuwe kaart volgens geometrische bepaling aangewezen wordt. Hierbij zal dus aan die van Eibergen en Rekken overgaan een hoek, thans nog Pruissische grond, groot 7 1/7 bunder (vijfduizend vierkante Rhijnlandsche roeden), welke aan het grondgebied der Nederlanden, gemeente Eibergen, wordt ingelijfd, tegen opheffingen der bepalingen in het verdrag van den 22 october 1766 voorkomende, volgens welke het Swilbroeker gemeene bosch onopgegraven en open zoude blijven liggen, wordende dit broek of bosch na en tegen dezen afstand van alle servituten, welke daarop door boven omschreven verdrag gelegd waren, waren voor het vervolg ontheven. In welke bepaling door wederzijds belanghebbende zoo ver nodig en dienstig, is toegestemd.’ (GldA, 0108, RWS, inv.nr. 411, Verdrag van 11 april 1827 tussen Nederland en Pruisen ter opheffing van de wederzijdse weiderechten, afschrift)

Het was weer een waar genoegen. Dank aan de bezochte archiefdiensten, Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, Nationaal Archief en Gelders Archief voor de prima dienstverlening. Ik kan voorlopig weer verder, ook al zijn niet al mijn vragen opgelost (o.a. de vraag waar Willem Sluiter woonde in Eibergen, toen hij zijn bekende achter-hoek-regel dichtte). Dus ik kom nog wel een keer terug.

Bennie te Vaarwerk

Kerkelijk Borculo bij de aanvang van de tweede Münsterse bezetting in 1672

Arend Heideman geeft op maandag 24 april 2017 uitleg bij de gedenksteen in de muur van de Protestantse kerk van Eibergen, in 1953 geplaatst ter gelegenheid van de 300ste verjaardag van de intrede van Willem Sluiter.

Afgelopen maandag, 24 april, vond een bijzonder geslaagde bijeenkomst over de Eibergse predikant-dichter Willem Sluiter (1627-1673) plaats in Museum De Scheper. Inspirator daarvan is oud-journalist en Sluiterkenner Arend Heideman uit Gelselaar. Deze bijeenkomst en een al eerder door mij genomen initiatief om te komen tot een meer zichtbare plek voor Willem Sluiter in het centrum van Eibergen, was aanleiding om nog eens te kijken wat er aan artikelen klaarligt over de periode waarin Willem Sluiter werkzaam was in Eibergen. In 2018 willen we in Eibergen herdenken dat Willem Sluiter 350 jaar geleden, nl. in 1668, zijn bekend(st) geworden dichtregel publiceerde:

‘Waer yemand duysend vreugden soek,
Mijn vreugd is in dees achter-hoek’

Ik heb al eerder geschreven over de achterhoek die Achterhoek werd. Daar zal in het komende jaar nog veel meer aandacht voor komen.

In april 2015 heb ik aan de ‘taskforce’ centrumplan Eibergen een plan gepresenteerd om Willem Sluiter nadrukkelijk zichtbaar te maken in Eibergen. Het nieuwe pleintje aan de Kluiversgang, tegenover villa Smits en in de nabijheid van de kerk waar Sluiter preekte, bood een prachtige gelegenheid daartoe. Sluiter moet er met grote regelmaat langs gekomen zijn, op weg van zijn huis aan de toenmalige Nieuwstraat (nu Hagemanstraat) naar de kerk. Het pleintje ligt op een mooie plek voor binnenkomende toeristen en voor hen die een wandeling willen maken vanuit het dorp naar villa Smits/Openluchttheater/Maat en de Berkel. De foto is een compilatie van de voorstellen met Sluiters dichtregels over de ‘achter-hoek’, Eibergen en de Berkel. Een kunstenaar zal er een geschikte vorm aan geven. Namen voor het nieuwe pleintje werden ook al gesuggereerd: Willem Sluiterplein (niet haalbaar, want er is al een Willem Sluiterstraat), Achterhoekplein en het achterhoekje (met kleine letter). (Foto en compilatie: Bennie te Vaarwerk).

Sluiter werd tot tweemaal toe uit Eibergen verdreven: in 1665-1666 en in 1672. In 1666 keerde hij terug, trof er verwoestingen aan in de kerk (preekstoel en orgel), maar zijn huis was gespaard. In 1672 vluchtte hij naar Zwolle, waar hij in 1673 overleed en in de Grote of Michielskerk aldaar werd begraven.
Het was de vorstbisschop van Münster die de predikant-dichter uit Eibergen deed vluchten. Christoph Bernhard von Galen was in 1650 vorstbisschop van Münster geworden. Van meet af aan liet hij duidelijk weten dat hij de heerlijkheid Borculo weer onder Münsters gezag wilde brengen. De impulsieve kerkvorst zag in 1665 zijn kans schoon, maar had zijn medestanders verkeerd ingeschat, zodat het ‘landoorlogje’,  zoals de Nijmeegse hoogleraar Poelhekke deze bezetting enigszins geringschattend noemde, in april 1666 eindigde met de Vrede van Kleef en Von Galen af moest zien van al zijn oude aanspraken. In 1672 was hij bondgenoot van Keulen, Frankrijk en Engeland. Hij vestigde zich een tijdje op kasteel Borculo, waar enkele pastoorsbenoemingen werden gedaan. Hij liet bovendien een visitatie doen van de kerken in de heerlijkheid Borculo. Dat verslag is de basis voor een artikel over kerkelijk Borculo bij de aanvang van de tweede Münsterse bezetting in 1672, dat in een pdf-bestand geplaatst is op de pagina Kerkgeschiedenis.

Lijsten van weerbare mannen in de heerlijkheid Borculo, 1784-1785

In 1996 is in de serie Kleine Reeks van de hand van Henk Nijman een transcriptie uitgegeven van lijsten van weerbare ingezetenen van Eibergen en Beltrum uit 1784. Er zijn echter ook lijsten van weerbare ingezetenen tussen 18 en 50 jaar uit 1784 bewaard gebleven van de stad Borculo en de voogdijen Geesteren en Neede, compleet met indeling in rotten. Dat is de reden om nu de gehele lijst opnieuw te publiceren op deze website. In dat kader is ook de indertijd door mij geschreven inleiding herzien en nu opnieuw gepubliceerd. In die inleiding wordt uitvoerig ingegaan op de achtergronden, maar in het kort komt het hier op neer:
Op de Gelderse Landdag van 20 november 1784 was besloten dat het Hof van Gelderland de schouten en de heren van de heerlijkheden aan moest schrijven en hen op te dragen lijsten samen te stellen van alle weerbare ingezetenen tussen 18 en 50 jaar. De lijsten werden opgesteld tegen de achtergrond van de verloren Vierde Engelse Oorlog (1784) en de opkomst van de Patriotten. Dat leidde tot toenemende politieke spanningen in de Republiek, en ook in Gelderland. Voor de heerlijkheid Borculo werden die lijsten samengesteld door de stadsbesturen van Borculo en Eibergen en voor de voogdijen door de voogden. Drost Gijsbert van Hasselt zond de lijsten op 17 november in, met de aantekening dat in de lijst van de voogdij Geesteren het rot van Schothorst ontbrak (maar later alsnog toegevoegd werd!), terwijl van sommige rotten uit de voogdij Beltrum helemaal geen lijsten waren ingezonden. De Beltrumse voogd F. Geers meldde dat er in sommige rotten van die buurschap en van de gehele buurschap Avest aan de respectievelijke rotmeesters opgegeven was dat er geen weerbare mannen tussen 18 en 50 jaar waren.  De gang van zaken geeft wel aan dat ook de heerlijkheid Borculo stevig verdeeld was door de politieke ontwikkelingen van dat moment.

Een bladzijde uit de lijsten van weerbare ingezetenen in de heerlijkheid Borculo, 1784 (Gelders Archief, 0005, Staten Zutphen, inv.nr. 1350)

Nieuwe namen voor (soms) oude wegen

Met aanvullingen, 10 maart 2017 en 21 juli 2017

De bouw van de nieuwe N18 onder Eibergen vordert gestaag. Her en der zijn al wegen afgesloten, bijv. de Eimersweg in Hupsel, en andere wegen zullen spoedig volgen. In de pers verschenen afgelopen week berichten over nieuwe straatnaamgeving die door de bouw van de nieuwe autoweg noodzakelijk wordt. Op grond van het persbericht dat op de website Nieuws uit Berkelland verscheen, betreft dat een stuk of tien gevallen waarvoor (nog) een nieuwe naam wordt gezocht. Op het bijgevoegde kaartje, dat gebaseerd is op de huisnummerkaart van de gemeente Eibergen uit 1969, heb ik die gevallen met de nummers A-J aangegeven.  De gemeente is voornemens (volgens diezelfde persberichten, zie ook het persbericht dat in het h.a.h.-blad Achterhoek Nieuws verscheen op 7 maart en onderaan opgenomen is) de omwonenden van de betrokken wegen en de Historische Kring Eibergen bij de naamswijzigingen of nieuwe namen te betrekken. Als geïnteresseerd burger wil ik de gemeente ook graag helpen bij de zoektocht naar wegennamen. Ik doe dat uiteraard vanuit een historische invalshoek.

Op deze huisnummerkaart van de gemeente Eibergen uit 1969 is met de letters A-J aangegeven welke nieuwe wegen een naam moeten krijgen of welke wegen/weggedeelten hernoemd moeten worden.

A. Munsterdijk (Mallem)
Volgens het persbericht gaat het om het deel van de Munsterdijk ten zuiden van de nieuwe N18. Dat is dus het weggedeelte dat nagenoeg geheel in de oude gemeente Eibergen ligt, in de buurschap Mallem. Het is een oude weg, want hij komt al voor op het kadastraal minuutplan van Mallem van 1828. Hij dateert dus van vóór de verdeling van de mark van Mallem in 1845. Hoewel de naam suggereert dat de weg een verbinding vormde tussen Rietmolen (Hoonte) en Munster(land), zijn daarvoor geen aanwijzingen te vinden. De weg loopt ook niet naar Duitsland (de ‘Pruusse’,  zoals men toen zei), maar takte bij erve de Reuver aan op de grote handelsweg Oldenkotte-Neede.  In de markenboeken van Mallem (1567-1917) komt de naam niet voor. H.W. Heuvel spreekt in 1922 in zijn boek Gids voor Eibergen en Groenlo alleen over de ‘Munsterdiek’, maar legt geen verband met Duitsland.

Ontworpen wegen en waterleidingen in de mark van Mallem, 1839. De huidige Munsterdijk is de weg van de letter G via H naar het punt waar de gemeentegrenzen van Eibergen, Haaksbergen en Neede bij elkaar kwamen. Omdat de Twenteroute nog niet bestond, ging de (latere) Munsterdijk bij Slotman over in de weg over en onderlangs de Mallemse Es, om bij de Reuver aan te sluiten op de handelsweg Duitsland-Deventer. De weg langs de letters E-F-G was de hoofdweg van Eibergen naar Haaksbergen. De weg A-B-C-D was de weg van Olden Eibergen naar Rietmolen. Het is grotendeels de huidige Rietmolenseweg. De huidige Leugemorsweg was tussen Broshuis en Vunderink een nieuwe weg en ook een markenweg. De ontworpen en te verleggen wegen zijn in rood aangegeven. Op de kaart is ook goed te zien dat de waterleidingen werden aangelegd van de ene naar de andere drassige laagte (‘slat’).

De weg zelf heeft geen andere betekenis (voor de mark van Mallem althans) dan als ontsluitingsweg voor de markengrond in de hoek tegen Hoonte (Neede) en Brammelo (Haaksbergen aan. Volgens de verdelingskaart van de mark van Mallem vinden we hier de aan de provisorie van Eibergen en enkele particulieren toebedeelde markengronden. Oude boerderijen vindt men niet in dat gebied. De erven die er staan, dateren van (ver) na de markenverdeling, bijv. Tosveld en de Elisabethhoeve. De ligging van dat eerste erf aan de huidige Munsterdijk, is een mooie aanleiding om het ten zuiden van de nieuwe N18 gelegen deel van de Munsterdijk naar dit erf te vernoemen: ‘het Tosveld’  of Tosveldweg. Het is dan tevens een mooie herinnering aan de mark van Mallem.

Het erve Tosveld in Mallem aan de huidige Munsterdijk in Mallem. Inzet: gevelsteen met naam en stichtingsjaar 1926.
Detail van het kadastraal minuutplan van Olden Eibergen uit 1828, met het deel van de Stokkersweg tussen Borculoseweg en Olminkhof (Needseweg). Het bochtige karakter, dat voor een deel nu nog aanwezig is, weerspiegelt de geschiedenis van deze weg, die hier in een oudhoevig landschap lag.

B. De Stokkersweg van N823 (Needseweg) tot aan de Stokkersbrug
De huidige Stokkersweg loopt als een radiaal van noord naar zuid door de buurschap Olden Eibergen. Het noordelijk deel is oud en bestond al lang vóór het wegen- en waterleidingenplan van 1856 en de markenverdeling van 1861. De Stokkersbrug, een door de mark van Olden Eibergen te onderhouden brug,  is de naamgever, maar als straatnaam heeft de weg geen oude papieren. Tot omstreeks 1970 liep de weg over het erve Biezebeek (nu nog Leugemorsweg 8), maar is toen in het kader van de verharding door de voortuin gelegd, waarvoor o.a. de endskamer werd gesloopt. Een deel van de gracht die dit oude erf (begin 12de eeuw, zeker: 1299) omringde, kwam toen ten westen van de nieuwe Stokkersweg te liggen. Het erve Biezebeek  is één van de drie oude Oldeneibergse erven ten noorden van de Berkel. De andere erven zijn: Leugemors (1360: Loghenmersch) en Olminkhof (1329: Alvinchove, thans bekend onder de namen Jonge en Olde Scholte). Het erve Lubbersman is hoogstwaarschijnlijk een afsplitsing van Leugemors, terwijl Olminkhof al in de 16de eeuw gesplitst was in de Jonge en de Olde Scholte, beide in de hoek Needseweg-Stokkersweg. Als dit stuk Stokkersweg hernoemd moet worden, dan komen de namen Biezebeek (Beezebekke, Biezebeekweg), Olminkhof (Jonge Scholte)  of Scholtenes, in aanmerking. De huidige Stokkersweg loopt namelijk midden over de Scholtenes, het hoge bouwland tussen Needseweg en kruising met de huidige Leugemorsweg. De naam Scholtenes komt natuurlijk van de Jonge Scholte, die de grootste grondbezitter op deze es en in dit deel van de buurschap Olden Eibergen was. Voor een vernoeming naar Olminkhof alias de (Jonge) Scholte pleit ook, dat dit erf een van de grote hoven van het Stift Vreden in de heerlijkheid Borculo was. Het is zelfs niet onmogelijk dat de erven Biezebeek en Leugemors ooit deel uitgemaakt hebben van deze hof Olminkhof. De scholte van de Olminkhof was erfelijk tegeder (bijzitter) in het hofgericht van de abdis van het Stift Vreden. De abdis had het recht van herberg bij stro (winter) en gras (zomer) op deze hof.

De Stokkersweg, zoals die sinds ca. 1960 loopt door de voortuin van het erve Biezebeek. Links van de weg was tot ca. 1980 nog een stuk van de gracht zichtbaar die dit erf heeft omgeven.
Over de Scholtenes, met zijn prachtige en gave steilrand, hebben de automobilisten op de nieuwe N18 straks een zicht op de erven Olminkhof: op de voorgrond de nieuwe Jonge Scholte, gebouwd na de tornado van 1 juni 1927, die het oude erf (op de achtergrond)deels verwoestte.

C. Middendeel: Borculoseweg-Lintveldseweg
Begrijpelijk, maar wel jammer is het, dat het stuk van de Stokkersweg tussen Stokkersbrug en Borculoseweg hernoemd wordt tot Leugemorsweg, die min of meer parallel komt te liggen aan de nieuwe N18 en net voor de Stokkersbrug op huidige Stokkersweg aansluit. In tegenstelling tot wat in het persbericht geschreven wordt, bestaat de Stokkersweg uit vier gedeelten: Needseweg-Borculoseweg; Borculoseweg-Lintveldseweg; Lintveldseweg-Kiefteweg en Kiefteweg-Wesselsdijk. Dit laatste weggedeelte is een zandweg, maar vindt men niet terug op de wegenkaart van 1856. Dit vierde gedeelte heet in het Eibergse veldnamenboek ‘Brasmansdiek’, naar het erve ‘Bras’ of ‘Brasman’ in de hoek Kuipersweg-Vaarwerkweg. Dat deze laatste twee delen de oude naam blijven dragen is niet meer uit te leggen als de twee eerste gedeelten, rond de naamgevende Stokkersbrug (oudst bekende vermelding: 1450) , een andere naam krijgen. Het lijkt me dat de gemeente ook voor die andere delen dan maar op zoek moet naar een nieuwe naam, zeker als die gemeente cultuurhistorie ter harte gaat (wat ik soms wel betwijfel). Ook voor het tweede gedeelte, Borculoseweg (N822)-Lintveldseweg, zoekt de gemeente een nieuwe naam. Het eerste deel, komend uit de Oldeneibergse Es, is nog een oud stukje weg, maar vanaf de bocht bij Slotboom/Florijn, is het een markenweg. Op de bijgaande kaart, met het wegen- en waterleidingenplan van Olden Eibergen uit 1856, is dat het gedeelte dat komt uit het ‘Reimelinkslat’ tot aan de weg van Borculo naar Eibergen, nu de Oude Borculoseweg.

Het wegen- en waterleidingenplan van de mark van Olden Eibergen uit 1856. Ook hier in rood de nieuw te maken wegen. Midden in het tweede deel van de huidige Stokkersweg ligt een laagte, het Reimelinkslat. Iets ten zuiden daarvan ligt de huidige Oldeneibergse Dijk.

Ook dit weggedeelte heeft enkele naamopties: Reimelinkslatweg, Florijnweg of Roelvinkweg, naar het verdwenen Munsterse leengoed Roelvinck, dat aan de oostelijke kant van de Stokkersweg tegenover Florijn/Florien lag.

Het erve Florijn aan de Stokkersweg in Olden Eibergen komt pal aan de nieuwe N18 te liggen. Al in 1616 wordt een Florijn genoemd als pachter van grond van de kerk van Eibergen. De oude naam van dit goed was ‘Wobben cavenstede’. De toevoeging duidt erop dat het oorspronkelijk een keuterboerderij was in de mark van Olden Eibergen. De Florijns, die ook timmerlieden waren, werden opgevolgd door de familie Slotboom, die er tot enkele jaren geleden woonde.

Voor het derde (en vierde) deel van de Stokkersweg wil de gemeente kennelijk de huidige naam handhaven. Ik vind dat onjuist, omdat deze weggedeelten geïsoleerd liggen van de naamgever, de Stokkersbrug. Deze gedeelten liggen volop in het Oldeneibergse Veld, waarnaar ze eventueel vernoemd kunnen worden, bijv.’Brasmansdijk’.

D. Oldeneibergse Dijk
Het gedeelte van de Oldeneibergse Dijk ten westen van de nieuwe N18 krijgt ook een nieuwe naam. Deze weg, die loopt vanaf erve Bretveld aan de Borculoseweg tot de kruising met de Kiefteweg bij bouwbedrijf Penterman, was bedoeld als ontsluitingsweg voor de Oldeneibergse boeren naar hun gronden in de mark van Eibergen. In het aanbiedingsplan van 1856 werd de aanleg van deze weg als volgt gemotiveerd: ‘een weg tevens tot communicatie buiten de mark aanvangende nabij Bretveld aan den weg van Borculo door de buurt naar Eibergen, en loopende in eene zuidoostwaardsche strekking langs Kolthof, Jorde, Spekgat, Kroep en Jukkert tot aan den zuidoostelijken uithoek dezer mark, aldaar rakende den weg van Groenlo naar Eibergen en aangewezen door de letters S, T, U, V, W, [zie bovenstaand kaartje] met geen ander doel dan alleen om, zoover nodig, aan Kolthof, Eskert, Hannink, Vaarwerk, Bumpthuis, Kuiper, Bras en Jukkert, aan wien uit de Eibergsche mark gronden zijn toegedeeld, meerder zuidwaards dan voormelden weg van Groenlo naar Eibergen gelegen, eenen aanmerkelijk korteren toegang tot dezelve te verschaffen dan thans het geval is, namelijk door het dorp Eibergen’.

De Oldeneibergse Dijk in de nazomer van 2016. Hier kruist de nieuwe N18 binnenkort deze in 1856 ontworpen markenweg. Het is een prachtige zandweg die binnendoor leidde naar Haarlo.

In de nabijheid van het te hernoemen gedeelte van de Oldeneibergse Dijk staat slechts één oude boerderij, nl. Kolthof, vanaf 1479 onder de naam ‘ter Lippe’ een leengoed van de Heren van Wisch (die in Eibergen zeer gegoed waren), en later een bezit van het Gasthuis van Vreden.

Het erve Kolthof, een van de gewaarde erven in de mark van Olden Eibergen.

E. De Kormelinkweg
De gemeente is voornemens om het gedeelte ten westen van de nieuwe N18 een nieuwe naam te geven. Daar moet nog eens over nagedacht worden, vind ik. Want de naamgevende boerderijen, Groot Kormelink en Klein Kormelink (genoemd in 1385 als Kernemerynck), komen na de bouw van de N18 nu juist aan deze te hernoemen westzijde te liggen. Historisch gezien is het m.i. daarom juister om de oostzijde te hernoemen. De Kormelinkweg is een echte markenweg, bedoeld om de eigenaren toegang te geven tot de aan hen toegedeelde markengrond. Hij hoorde tot de categorie, waarvan de Commissie tot de verdeling van de mark van Olden Eibergen in 1856 schreef: ‘Alle overige geprojecteerde wegen of gedeelten van dezelve, ofschoon ook tevens tot onderling verkeer kunnende strekken, zijn slechts dienstbaar tot uitwegen voor de toe te deelen parcelen’. Historische veldnamen, anders dan het Oldeneibergse Veld, de al genoemde erven Kormelink, het Kormelinkslat en het erve Poel of Pool hebik niet kunnen vinden. Voor het oostelijk gedeelte is een naam als ‘Grintebulten’ (nu vijver achter villa Vinkennest) denkbaar.

Het Oldeneibergse Veld vanaf de Kormelinkweg in de as van de hier kruisende nieuwe N18, voorjaar 2015.

F. Kiefteweg

Op maandag 6 maart 2017 stonden er voor het eerst stoplichten op de Kiefteweg in Olden Eibergen. Dat heeft te maken met de werkzaamheden in het kader van de bouw van de nieuwe N18, die hier de Kiefteweg kruist. Op de achtergrond de bebouwde kom van Eibergen.

Nog niet zo heel veel jaren geleden werd de toenmalige Hupselseweg gesplitst: binnen de bebouwde kom van Eibergen behield hij die naam. Het stuk daarbuiten, met de nieuwe aansluiting op de Groenloseweg (N18),  kreeg de naam Kiefteweg, naar het Hupselse erf de Kiefte, dat overigens aan de oostzijde van de Groenloseweg ligt. De nieuwe N18 doorsnijdt de Kiefteweg nog net in Olden Eibergen. Voor het deel tussen de nieuwe N18 en de Deventer Kunstweg, dus het gedeelte dat nagenoeg geheel in de oorspronkelijke buurschap Hupsel ligt, wordt een nieuwe naam gezocht. Er liggen enkele oude en in de mark van Hupsel gewaarde erven in de nabijheid van die weg. Het betreft Hulsink (1330), Leppink (vóór 1340), Alferink, Bruinink en, wat minder oud, Pasop en de Scheper. Er is al een Bruininkdijk, dus die naam valt af. Het lijkt mij dat een van deze erven de naamgever zal moeten worden, waarbij ik een lichte voorkeur heb voor een vernoeming naar Hulsink, Leppink of Alferink, als behorende tot de groep oude erven rondom de Hupselse Es.

Detail van de kaart met de ontworpen wegen in de mark van Hupsel, 1843. Enkele thans bestaande straatnamen zijn aan de kaart toegevoegd. De nieuwe N18 kruist de Kiefteweg in Olden Eibergen (bovenin). Wel staan enkele boerderijnamen op de kaart, die gesitueerd zijn in de nabijheid van het te hernoemen deel van de Kiefteweg in de buurschap Hupsel. Let ook op de situering van het erve de Kiefte of ‘Kiewiet’, op de grenzen van de marken van Hupsel, Eibergen en Olden Eibergen.

G. Venneslatsweg
Deze straatnaam is al toegekend. Dit wegdeel ligt in de buurschap Olden Eibergen, maar de naam is te herleiden tot het Venneslat in de mark van Eibergen en lag ten westen van de huidige Groenloseweg (N18) ter hoogte van het huidige industrieterrein De Kiefte.

Detail van de wegen- en waterleidingenkaart van de mark van Eibergen, behorend bij het verdelingsplan voor die mark, 1851. Het Venneslat wordt aangegeven met de letter G. In de nabijheid lag het Hofveen, waar turf gestoken werd voor het Hof van Borculo. Dat was een dienstverplichting voor de boeren van Hupsel, die dat konden afkopen met de jaarlijkse betaling van ‘turfgeld’.

H. Ballastweg
De huidige, vrij nieuwe weg op het industrieterrein De Kiefte, wordt gesplitst door het afrit Eibergen/De Kiefte van de nieuwe N18. Een deel krijgt een nieuwe naam. Omdat dit allemaal ontginningsgebied is, dat na de markenverdelingen toegedeeld werd aan nieuwe eigenaren. Een oude veldnaam in dit gebied is het Hofveen of Hofvenne, maar er is in het dorp Eibergen al een straat met deze naam. Het veldnamenboek van Eibergen biedt mogelijk enkele aanknopingspunten.

I. Groenloseweg
De huidige Groenloseweg dateert uit de jaren ’50 van de 19de eeuw. Op de kaarten van de markverdeling van Hupsel heet die weg al zo.

De huidige Groenloseweg (N18) ter hoogte van de Ballastput en kruising met de Hupselsedwarsweg. Op de achtergrond is de tijdelijke brug over de oude N18 zichtbaar. Het bouwverkeer voor de nieuwe N18 gaat er overheen. Dit stuk Groenloseweg zou best Oude Groenloseweg genoemd kunnen worden.

De Groenloseweg vanaf het punt waar de afslag Eibergen van de nieuwe N18 aansluit op de bestaande Groenloseweg/N18 tot de Kerkdijk, ter hoogte van het voormalige café De Keet moet een nieuwe naam krijgen. Een lastig geval, omdat een deel van de weg met gemak en met respect voor de historie ‘Oude Groenloseweg’ genoemd kan worden, maar lastig omdat het deel van die weg dat ten oosten van de nieuwe N18 parallel gaat lopen aan die weg, een geheel nieuwe weg is. Een naam als ‘Weg naar de Keet’ is denkbaar, en herinnert ook aan het verdwenen truckerscafé in Hupsel. Een optie is ook ‘Oude Twenteroute’, naar de benaming van de oude N18 in de volksmond van de Achterhoek.

J. Aansluiting Eibergen
De aansluitingsweg van de nieuwe N18 op de oude krijgt de naam Groenloseweg. Dat is goed verdedigbaar.

Bericht van de gemeente Berkelland in Achterhoek Nieuws van 7 maart 2017 over de straatnaamgeving die noodzakelijk wordt i.v.m. de bouw van de nieuwe N18.

Aanvulling 21 juli 2017

De gemeente Berkelland maakte deze week de definitieve straatnamen bekend. Na het nodige overleg, met betrokken aanwonenden en Historische Kring Eibergen, is het eindresultaat zondermeer positief. Mijn nieuwere suggestie om de Kiefteweg ten westen van de nieuwe N18 om te dopen tot Hupselse Markenweg i.p.v. vernoeming naar een van de oude boerderijen  is overgenomen. Daarmee wordt recht gedaan aan het gegeven dat deze weg ontstaan is in het kader van de markenverdeling in de 19de eeuw. Dat de Stokkersweg vanaf de Needseweg tot de nieuwe N18 bij de Stokkersbrug vernoemd wordt naar het erve Biezebeek is geheel terecht, omdat het het oudste erf in het noordelijk deel van Olden Eibergen is.

Het erve Biezebeek in Olden Eibergen wordt naamgever van de hier te vernoemen Stokkersweg vanaf Needseweg tot Stokkersbrug. doodlopende Leugemorsweg.

Hulde dus aan de gemeente Berkelland en de Historische Kring voor het goede overleg en het prima eindresultaat.

Bennie te Vaarwerk