Afscheid – I

‘Alles hef ziene tied’. Nu mijn tijd er bijna op zit en ik mijn resterende leef-tijd goed verzorgd mag doorbrengen in het prachtige hospice Erve Kleinsman in de buurschap Langelo onder Haaksbergen is het tijd voor een terugblik op de zaken die mij in mijn vrije tijd zo lang hebben beziggehouden.

Endskamer hospice erve Kleinsman in Langelo onder Haaksbergen

Genealogie
Ruim 20 jaar leef ik nu met kanker. In 2012 werd duidelijk, dat het ging om een zeldzaam voorkomende vorm van erfelijke kanker, nl. het syndroom van Muïr-Torre. Dankzij goede medische zorg in Winterswijk en Enschede heb ik het zo lang kunnen volhouden. Dat buikkankers al lang in familie zitten was me ook al uit genealogisch onderzoek duidelijk geworden, want in het gemeentearchief van Eibergen zijn veel medische verklaringen van overlijden bewaard gebleven.. Mijn grootvader van vaders zijde en mijn grootmoeder van moeders zijde zijn beide overleden aan vormen van buikkanker. Mijn grootmoeder overleed er in 1927 op 39-jarige leeftijd aan, nog geen half jaar na de geboorte van haar zesde kind. Het was de leeftijd waarop ik voor het eerst met kanker werd geconfronteerd. Hoe vreselijk moet haar levenseinde wel niet zijn geweest.

De weduwe Butz-Revehorst (‘Bots-meuje’) in 1918 met haar beide kinderen, Hendrik en Dina. Overgrootmoeder Butz zou haar beide kinderen overleven,

Mijn moeder heeft haar moeder niet gekend, ze was anderhalf jaar bij haar overlijden. Ze heeft later wel eens verzucht ‘Ik wolle dat ik nog iemand e-kend hadde, dee moder nog e-kend hef’.  Hoe belangrijk dat voor haar was, bleek vele tientallen jaren later toen ik met moeder op bezoek was in het zustershuis in Boxmeer, waar de vrouw begraven lag, die voor haar als een tweede moeder was, een nichtje van grootvader die tijdelijk voor zijn kinderen zorgde na de dood van grootmoeder. Dit nichtje is later ingetreden bij de Zusters van Boxmeer, maar overleed daar in de oorlogsjaren. Toen mijn moeder hoorde dat het graf er nog was hield niemand en niets haar tegen, hoewel ze zeer slecht ter been was, naar dat graf te lopen.

Stamboomonderzoek had al vroeg mijn interesse, ook al was er thuis bepaald geen traditie op dat gebied. In de familie van mijn vaderskant leefden weinig verhalen. Vele jaren later kwam ik er door min of meer toevallige vondsten er achter, dat daarvoor misschien wel een reden was, namelijk een doodgezwegen kind van mijn overgrootvader uit een voorechtelijke relatie met wat toen een dienstmeid heette. Ik heb nog eens geprobeerd uit te zoeken wat er van dat kind, een zoon, geworden is, maar het spoor liep helaas dood in het Ruhrgebied.

Mijn geboortehuis, erve Nieuw Biezebeek, ca. 1996.

Ik ben in 1958 geboren op het erve Nieuw Biezebeek, dat in 1932/33 afgesplitst was van het oude erve Biezebeek (of in het dialect: Beezebekke). Daar heb ik mijn jeugd doorgebracht en ben er zelfs nog een tijdje boer geweest, een beroep waar ik niet geschikt voor was en ook geen opleiding voor heb gehad.

Onze tak van de familie had het erve Biezebeek in 1822 aangekocht. In 1839 trouwde mijn betovergrootvader Antoni Johannes te Vaarwerk en werd landbouwer op Biezebeek, dat hij van zijn ouders had meegekregen. In 1848 liet hij de boerderij verstenen. De sluitsteen in de boog boven de ‘nendeure’ getuigt daar nog steeds van.

De sluitsteen in de boog boven de inrijdeuren van het erve Biezebeek in Olden Eibergen.

De Biezebeek is een oud erf dat in de inkomstenregisters van het Münsterse klooster Überwasser al in de 11de eeuw genoemd wordt. Zijn naam heeft het wel te danken aan de ligging nabij de Berkel of een oude tak daarvan. Rond dit ouderlijk en voorouderlijk erfgoed, dat tot in de 16e eeuw een bezit was van het klooster Überwasser in Münster en waarvan vervolgens tot 1820 de heer van Borculo eigenaar was, bestaat een aardige overlevering, die ik in 1997 gebruikt heb om mijn verhuizing naar het dorp Eibergen mee te ‘versieren’:

Beezebekke, redt oew!
“De boerderij de Beezebekke lag in de buurt van de Berkel en raakte bij hoog water nogal eens geïsoleerd. Op een dag was de boer op de Beezebekke ziek geworden. De dokter moest erbij komen. Maar helaas, door het hoge water in de Berkel kwam de geneesheer niet verder dan de Stokkersbrug. Hij moest rechts­omkeert maken, maar niet nadat hij uit de verte naar de zieke boer en zijn familie had geroepen: ‘Beezebekke, redt oew!'”

Vanaf de entree tot het erf Biezebeek had je tot voor kort dit zicht op het erf of de hof te Vaarwerk (voorhuis, rode pannen, met uitbouw, hier in het algemeen de ‘endskamer; genoemd) aan de zuidzijde van de Berkel. Op enkele tientallen meters vanaf de inmiddels voormalige erftoegang loopt sinds enige maanden de nieuwe N18 (mei 2018)

Vaarwerk
Staand bij de Biezebeek zie je in zuidelijke richting aan de overzijde van de in een dal liggende rivier de Berkel, het erve of hof te Vaarwerk (of in het Eibergse dialect: Vaarwark), de volgende schakel die mij in mijn geschiedenishobby heeft beziggehouden. Dat die boerderij, mijn eigenlijke stamhuis, zoveel lokale en ook regionale geschiedenis met zich meedroeg kon ik in de jaren ’70 niet bevroeden. Aan deze eenvoudige boerderij is een lange en goed gedocumenteerde geschiedenis verbonden, die vanaf ca. 1340 tot midden 19de eeuw nauwkeurig te volgen is. Ik bedoel dan niet de stamboom, maar de geschiedenis van dat erf als een van de grote hoven van het kapittel van het Stift Vreden in Duitsland, met tientallen hofhorige erven, een eigen hofrecht en hofrechtspraak. Indertijd heb ik er een dik boek over geschreven en sommige bronnen later op mijn website www.heerlijkheidborculo.nl gepubliceerd.

Parochiekerk (St.-Georg) en Stiftskerk (St.-Felicitas) in Vreden, Felicitas was de patrones van het Stift.
De ingang van de crypte onder het hoogkoor van de Stiftskerk in Vreden.

 

 

 

Mijn interesse in de geschiedenis van de Berkel werd versterkt door een vermelding in het goederenregister van de graaf Von Dahl, als heer van Diepenheim uit 1188 (datering is met vraagtekens omgeven). Daarin is sprake van het recht van zwanendrift van de heer van Diepenheim op de wateren vanaf de (water)molen Vaarwerk bij Eibergen tot aan Goor en Lochem.

Vanaf ca. 1340 tot het uitsterven in het midden van de zestiende eeuw waren de heren van Wisch eigenaren van de hof te Vaarwerk. Eigenlijk hadden ze de hof als erfelijk pachtgoed in leen van het kapittel van het Stift Vreden. Na hun uitsterven vererfden de heerlijkheid Wisch en de hof te Vaarwerk op de graven van Limburg-Stirum. Omdat deze familie in 1615/1616 ook Borculo en Lichtenvoorde verwierf werd mijn toch al bestaande interesse in de geschiedenis van stad en heerlijkheid Borculo verder versterkt, alsmede in die van het kwartier of de graafschap Zutphen, waarbinnen Borculo een vrije heerlijkheid was, zoals ook Lichtenvoorde, Bredevoort, Wisch en de graafschap Bergh die status hadden.

Over mijn belangstelling voor de geschiedenis van stad en heerlijkheid Borculo in een (hopelijk) volgend blog meer.

Haaksbergen, op ’t erve Kleinsman, voorheen Klein Langelo, 4 september 2018, Bennie te Vaarwerk

 

 

 

 

 

 

 

Een Beltrums huwelijkscontract uit 1780

In het archief van de Huizen Nettelhorst en De Heest, in het kerspel Lochem, bevinden zich archivalia afkomstig van de eerste burgemeester van de gemeente Eibergen, mr. P.R.J.W. van Heeckeren. Deze was daarnaast ook secretaris van die gemeente, lid van de Staten van Gelderland en notaris in Eibergen. Waarschijnlijk vanuit die laatste hoedanigheid heeft hij inzage gehad in archivalia die klanten aan hem gegeven hebben ten behoeve van de ene of andere notariële handeling. De originele stukken kwamen uiteindelijk terecht in zijn particuliere archief, dat na zijn dood in 1835 kennelijk werd opgeslagen in bovengenoemd huisarchief.

Een van die stukken betreft het originele huwelijkscontract tussen Jan Hindrick Boomers op Boomers of den Boomert in het schependom Groenlo en Diena Neikamp (Nijkamp), gesloten op het erve Bomers aldaar op 7 januari 1780. Contracten als deze zijn meestal terug te vinden in de archieven van de desbetreffende boerderijen. Minder vaak zal men ze aantreffen in de archieven van de rechtbanken van vóór 1811. Het geschrift verraadt dat er geen schoolmeester of andere netschrijver aan te pas is gekomen. Vooral de moeilijke en vreemde woorden werden opgeschreven zoals men ze toen hoorde. Dat begint al met de aanhef, ‘In noomiine cantissiimaTriiniitas, amen’, waar juister ‘in nomine sanctissima Trinitatis, amen’ had moeten staan[1]. Deze (middeleeuws aandoende) aanhef duidt erop dat we hier te doen hebben met een huwelijkscontract tussen twee katholieke personen. Dat kan ook bijna niet anders want de stad en het platteland van Groenlo (inclusief Beltrum en Lichtenvoorde) was na de Reformatie overwegend katholiek gebleven. De opbouw van het contract wijkt niet af van wat we elders tegenkomen. Het bijzondere zit hem vooral in de inhoud. In de eerste plaats is het niet de oudste zoon die trouwt en opvolgt, maar een jongere zoon. Dat blijkt uit artikel 6, waarin een compensatieregeling getroffen wordt voor doen van afstand van diens eerstgeboorterecht op de erfopvolging, maar ook een regeling voor het geval het samenwonen onder één dak van het jonge paar met de vrijgezelle oudste broer op een mislukking zou uitlopen. Dat was een bepaald niet ondenkbeeldig en is ook vooruitstrevend te noemen.[2] De oudste broer werd nadrukkelijk bevoordeeld met vaste eigen inkomsten gedurende 25 jaar (artikel 7). Bij zijn overlijden vervielen de bezittingen aan de erfopvolger. Veel voorkomend was de volgende bepaling, dat de (ongetrouwde) kinderen verzorgd werden door de gehuwde broer, in geval van ziekte en anderszins. Het huwelijkscontract legt aanzienlijke beperkingen op aan de mogelijkheden van de jongelui om op het erf hun gang te gaan. Indachtig het gezegde ‘Kleedt oew neet oet veurdat i-j naor bedde gaot’, hielden de (schoon)ouders de hand aan de ploeg. Zij bepaalden het moment van overdracht van het bedrijf. De zoon en schoondochter waren ‘slechts’ knecht en meid totdat ze het bedrijf overnamen. Wanneer het zo ver was, moesten de jongelui de andere broers en zuster uitkopen, o.a. met een (bruids-)koe of de geldelijke waarde daarvan (artikel 3). Ook voor de zuster Maria werd een afzonderlijke regeling getroffen, alsmede voor de moeder na het overlijden van de vader. Het contract regelde minstens zoveel over de rechten van ouders en andere kinderen als over de rechten van het bruidspaar.

Transcriptie Beltrums huwelijkscontract, 1780

[1] In nomine Sanctissima Trinitatis: in de naam van de Heilige Drie-eenheid.

[2] In 1959 verscheen van de hand van dr. G.A. Kooy onder de titel De oude samenwoning op het nieuwe platteland, een studie over dit toen nog veelvuldig voorkomen van het (gedwongen) onder één dak samenwonen van meerdere generaties en de problemen die dat voortbracht.