Categoriearchief: Gelderland

Nieuwer Achterhoeks Boerenleven

Oud-Achterhoeksch Boerenleven
Mijn exemplaar van Oud-Achterhoeksch Boerenleven (derde druk 1946)

Zo aan het eind van het jaar haal ik H.W. Heuvels Oud-Achterhoeksch Boerenleven maar weer eens van de plank. Mijn exemplaar is een geschenk van een dankbare Arnhemse evacuee aan mijn vader in 1947. Het is de derde druk, die in 1946 verscheen  en dus op slecht papier gedrukt is. Nu is Heuvel al meer dan 90 jaar dood, maar zijn gedachtengoed, en zeker genoemd werk, leeft nog in de Achterhoek.

In het voetspoor van Heuvel
Uitgave van de Studiekring Hendrik Willem Heuvel (2017)

Zo is er een studiekring die in 2017 nog een bundel met artikelen over zijn leven en werk uitgaf. Heuvels schets (nou ja) van het boerenleven is gebaseerd op zijn jeugdherinneringen uit de laatste decennia van de 19de eeuw.

Daarmee lijken we te vergeten dat er ook nog een twintigste eeuw is geweest, die diep ingegrepen heeft in het (Achterhoekse)  boerenleven. Het door Heuvel geschetste harmonieuze samenleven van generaties onder één dak, werd in 1959 hard onderuitgehaald door G.A. Kooy in zijn sociologische studie De oude samenwoning op het nieuwe platteland. Een studie over de familiehuishouding in de agrarische Achterhoek.

Titelblad studie G.A. Kooy, 1959
Titelblad van de studie van G.A. Kooy uit 1959.

Maar in tegenstelling tot het boek van Heuvel, heeft Kooy’s boek de weg naar de massa niet gevonden. Toch is het door Kooy geschetste nieuwe(re) Achterhoeks boerenleven veel herkenbaarder, dan het romantische en historiserende boerenleven van Heuvel. Ook nu nog. Zonder het belachelijk te willen maken, zouden passages daaruit een inspiratiebron geweest kunnen zijn voor Dieka en Moo van de Wierdense Revue (weliswaar Twente, maar soms zijn de verschillen niet zo groot).

Boerenwerk. 100 jaar GMvL afdeling Eibergen (1995)
Boerenwerk. Honderd jaar Afdeling Eibergen van de Geldersche Maatschappij van Landbouw, 1895-1995. Dit boek verscheen bij gelegenheid van het eeuwfeest, dat nagenoeg ook het einde betekende van deze afdeling die verder ging met andere lokale ‘standsorganisaties’

Toch hebben die oude en nieuwere Achterhoekse boeren niet alleen generatieconflicten ‘achter de pöste’ uitgevochten, maar hebben wel degelijk de signalen van de nieuwe tijd opgepakt. Na de markenverdelingen in de negentiende eeuw kregen tal van jongere boerenzonen (en soms ook -dochters) een kans om zelf een boerderij te beginnen. Boeren verenigden zich vanaf het einde van de negentiende eeuw  lokaal in coöperatieve aan- en verkoopverenigingen. In Gelderland was daarbij  aanvankelijk een grote rol weggelegd voor een organisatie als de Geldersche Maatschappij van Landbouw. Coöperatieve zuivelfabrieken en aan- en verkoopverenigingen werden alom opgericht en vanaf de Eerste Wereldoorlog vielen vooral de aan- en verkoopverenigingen ten prooi aan de verzuiling. De boerinnen verenigden zich, zij  het in de regel  later, in boerinnenbonden, die eveneens volgens zuilen georganiseerd waren. In de Tweede Wereldoorlog verbood de Duitse bezetter de standsorganisaties. De aan- en verkoopverenigingen mochten blijven bestaan: zij dienden immers een economisch doel.
In de laatste drie decennia van die eeuw vond opschaling plaats, parallel aan het langlopende proces dat op de boerenbedrijven zelf plaats had. Door ontzuiling werden de overgebleven boeren nu verenigd in gemeentelijke afdelingen van LTO-Nederland.

Het is hier natuurlijk niet de plaats om in te gaan op specifieke ontwikkelingen, maar ik zie in die lokale coöperaties en standsorganisaties een typisch twintigste eeuws fenomeen, waarvoor tot nu toe te weinig systematisch aandacht is geweest. Zo ook in de Achterhoek, waar het Lochemse bedrijf For Farmers voortgekomen is uit een fusiegolf van aan- en verkoopcoöperaties in Oost-Nederland. Waar zijn al die lokale archieven gebleven? De archieven van de vroegere Achterhoekse zuivelcoöperatie Coberco, eveneens uit fusies van lokale coöperaties voortgekomen en inmiddels alweer verder opgeschaald, berusten in het Regionaal Archief Zutphen, maar ik vermoed dat maar weinig mensen dat weten. De coöperatie was stevig geworteld in de Achterhoek, ook wetenschappelijk en politiek. De Achterhoek, beter gezegd Borculo, heeft  de eerste bijzonder hoogleraar Coöperatieleer voortgebracht, G. J. ter Woorst (1984), die eerder voor de Katholieke Volkspartij deel uitmaakte van het toen zo genoemde ‘groene front’.

De tijd staat niet stil. De opschaling gaat door, de ontbinding van de ‘agrarische Achterhoek’ ook. Dat heeft gevolgen voor de (lokale)geschiedschrijving die zich steeds meer richt op recente, dus door lezers nog (mee)beleefde geschiedenis, die bovendien kort en beeldend moet zijn. Maar wij bouwen verder op de fundamenten die onze ouders en grootouders hebben gelegd, de nieuwere Achterhoekers. Het is ook een taak van de lokale geschiedschrijving die onzichtbare fundamenten zichtbaar te maken en een taak voor archiefdiensten om archieven van die organisaties te verwerven, omdat ze een uniek beeld vormen van de landbouwgeschiedenis van de vorige eeuw.

In de wetenschap dat wij nog enkele uren verwijderd zijn van het Achterhoekjaar 2018, wens ik u allen het beste voor het nieuwe jaar.

Bennie te Vaarwerk

Bij de 400ste verjaardag van de incorporatie van Borculo in Gelderland – I

Op 14 september 1665, nu bijna 350 jaar geleden, verklaarde vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen de Republiek der Verenigde Nederlanden de oorlog

Het beeld van vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen op zijn graf in de Münsterse Domkerk
Het beeld van vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen op zijn graf in de Münsterse Domkerk

Eén van zijn hoofddoelen was het herstel van de Münsterse gezag over stad en heerlijkheid Borculo en de (inmiddels verzelfstandigde) heerlijkheid Lichtenvoorde, waarvan hij meende dat die hem ten onrechte in 1615 waren ontnomen. Op 20 december van dat laatstgenoemde jaar had namelijk het Hof van Gelderland uitspraak gedaan in het proces dat door graaf Joost van Limburg Stirum voor dat Hof aangespannen was tegen de vorstbisschop van Münster. De graaf wilde bereiken dat hem eindelijk de heerlijkheid Borculo werd toegewezen. Dat lukte. Die historisch uitermate belangrijke uitspraak van het Gelderse Hof, verjaart in 2015 voor de 400ste maal en er is daarom alle reden om dit jaar en ook het volgende jaar stil te staan bij beide gebeurtenissen die oorzakelijk met elkaar in verband staan.[1]

Een langdurige en ingewikkelde kwestie
Zowel uit de bronnen als ook uit de eigentijdse en recente literatuur is zaak niet eenvoudig te begrijpen. In de oudere literatuur is er vaak sprake van een uitgesproken pro-Gelders of pro-Münsters standpunt, dat niet zelden ingegeven werd door de godsdienst (rooms-katholiek of gereformeerd) die de schrijver aanhing. Zeker op lokaal niveau was dat het geval. Twee namen illustreren dat: H.W. Heuvel en (vooral) Hendrik Odink, die beiden het proces voor het Hof vooral bezagen vanuit het oogpunt van de invoering van de gereformeerde religie in de heerlijkheid.[2]

In de beoordeling van de gang van zaken strijden de juridische en de politieke kanten met elkaar. De laatste is uiteindelijk doorslaggevend geworden. Juridisch was vooral de aard van het leen Borculo van belang en daarmee de vraag of de graaf van Limburg Stirum in Borculo op kon volgen. Münster volhardde in het standpunt dat Borculo een manleen was, en dus alleen in de mannelijke lijn kon vererven.[3] De beide erfgenamen bestreden dat terecht.

Die erfgenamen waren gravin Ermgard van Wisch en graaf Rudolf von Diepholz. Beiden stamden in de vrouwelijke lijn af van een dochter Van Bronckhorst. Gravin Ermgard was bovendien nader verwant: haar moeder, Walburgh van den Bergh, was een zuster van gravin Mette van den Bergh, de moeder van de overleden graaf Joost. In de juridische strijd speelde verder een rol welke goederen nu exact hoorden bij het leen Borculo en welke door de heer van Borculo buiten dat leenverband waren aangekocht of op persoonlijke titel waren gebouwd en daardoor allodiale of (leenband)vrije goederen waren of als zodanig werden beschouwd. Wat hoorde er wel en niet bij? Deze vraag speelde bijvoorbeeld rond Lichtenvoorde en de leengoederen die door het huwelijk van Otto van Bronckhorst met Agnes van Solms (1418) in het bezit van het Huis Bronckhorst waren gekomen.[4]

Op het vlak tussen recht en politiek speelde in de zestiende eeuw ook de vraag hoe ‘Münsters’ of ‘Gelders’ de heerlijkheid Borculo nu eigenlijk was (geweest), toegespitst op de vraag onder wiens soevereiniteit[5] Borculo viel of in wiens gebied het lag. Talloze ‘bewijsstukken’ pro en contra vlogen bij alle processen over de tafel.[6]

Het werkte hierbij niet mee, zeker niet vanuit Gelders oogpunt, dat er geen consequent onderscheid werd gemaakt tussen de achtereenvolgende heren van Borculo uit het Huis Bronckhorst in hun respectievelijke hoedanigheid als heer (vanaf 1533 graaf) van Bronckhorst en als heer van Borculo. Münster was hierin meer consequent en leek daardoor de Gelderse argumenten gemakkelijker te kunnen weerleggen.

Toen de gravin-weduwe, Maria von Hoya, in november 1579 overleed, nam Münster de gehele heerlijkheid onmiddellijk in bezit, niets uitgezonderd, ook de allodiale bezittingen niet. Dat leidde tot een nieuwe complicatie, omdat de erfgenamen meenden, dat deze allodiale goederen geen onderdeel waren of ooit waren geweest van het leen Borculo, dat alleen bestond uit slot, stad (meestal wigbold genoemd) en jurisdictie Borculo. Münster maakte dat onderscheid niet, omdat het zou betekenen dat het moest toegeven dat het meer in bezit had genomen dan het rechtens toekwam. Dat is mogelijk een reden, waarom de vorstbisschoppen in respectievelijk in 1614 en 1644 niet zijn ingegaan op een opening, hen geboden door respectievelijk graaf Joost van Limburg Stirum en diens kleinzoon, graaf Otto, om hen alsnog te belenen met slot, stad en heerlijkheid Borculo.[7]

Eerste bladzijde van het antwoord van graaf Joost van Limburg Stirum aan de Duitse keizer over het 'Borculose' proces voor het Hof van Gelderland, 2 april 1614 (NA, Coll. v. Limburg Stirum, inv.nr. LN240)
Eerste bladzijde van het antwoord van graaf Joost van Limburg Stirum aan de Duitse keizer over het ‘Borculose’ proces voor het Hof van Gelderland, 2 april 1614 (NA, Coll. v. Limburg Stirum, inv.nr. LN240)

Nog ingewikkelder werd het, toen graaf Joost van Limburg Stirum de zaak tegen Münster in 1611 voorlegde aan het Hof van Gelderland. Hij oefende stevige druk op het Hof uit. Op 24 september 1615 verzocht hij hen dringend ‘umb in meiner Borckloischen sache sententie diffinitiff zu haben’. Het Keizerlijk Hof in Wenen en het Rijkskamergericht in Speyer dreigden hem ‘mit sehr scherffen mandaten und poene’.[8] Hij vreesde te bezwijken onder de processen, die zouden leiden ‘tot gensliche ruine meines hauses Limburg und Bronchorst’. Op 20 december 1615 kreeg hij zijn zin: het Hof deed uitspraak deed ten gunste van graaf Joost en aarzelde vervolgens niet om met militaire middelen de Heerlijkheid Borculo-Lichtenvoorde voor hem in te nemen. Münster heeft de bevoegdheid van het Gelderse Hof in de zaak van de Münsterse heerlijkheid nooit erkend (en mocht dat ook niet van de Duitse keizer, zoals het ‘Borculo’ verboden werd zich in te laten met het Keizerlijk Kamergericht te Speyer, dat de zaak al sinds 1570 in behandeling had). Dat het Gelderse Hof vervolgens ook de graaf Van Limburg Stirum als heer van Borculo nog een schadevergoeding toekende van ruim 500.000 gulden wegens gederfde inkomsten uit de allodiale door Münster in bezit genomen goederen vanaf 1581[9], maakte de zaak nog erger. Münster heeft hieraan natuurlijk niet toegegeven. De patstelling was daarmee welhaast compleet.

Politiek speelde vooral de nationale en zelfs de steeds wisselende internationale constellatie een rol. De Staten-Generaal hadden Gelderland in het proces van graaf Joost tegen Munster gesteund, maar daarin ging vooral ook een flink stuk eigenbelang schuil: de (juridische) strijd om Borculo vond namelijk plaats tijdens het Twaalfjarig Bestand, waarin de Gelderse stad Groenlo door de Spanjaarden bezet werd gehouden. Deze stad lag namelijk als Spaans-Gelderse enclave in de neutrale heerlijkheid Borculo-Lichtenvoorde. Om te preluderen op een toekomstige eenheid van gebied, was het wel handig om de omringende heerlijkheid Borculo-Lichtenvoorde alvast onder Gelders gezag te brengen. Het gebied van de heerlijkheid was een (ondergeschikt) onderdeel van de sluiting van de Tuin der Republiek. Graaf Joost van Limburg Stirum had het proces voor het Gelderse Hof gebracht, omdat hij meende dat Borculo in Gelderland lag.[10] Tegelijkertijd hield hij de deur naar Münster open, door (in 1614) te verklaren: ‘Bin aber keinesweges der meinungh und intention die feudallgerechticheit der herschafft Borckelöe dem Stifft Münster und dem Heiligen Romischen Reichs zu entziehen’.

De handtekening van graaf Joost van Limburg Stirum onder zijn brief aan de Duitse keizer, 2 april 1614. Het zal duidelijk zijn, dat de graaf in deze brief nergens de titel 'heer van Borculo' gebruikt. Het hing er maar vanaf aan wie zijn brief gericht was. (NA, Coll. v. Limburg Stirum, inv.nr. LN240
De handtekening van graaf Joost van Limburg Stirum onder zijn brief aan de Duitse keizer, 2 april 1614. Het zal duidelijk zijn, dat de graaf in deze brief nergens de titel ‘heer van Borculo’ gebruikt. Het hing er maar vanaf aan wie zijn brief gericht was. (NA, Coll. v. Limburg Stirum, inv.nr. LN240

Het historische oordeel
De Nijmeegse rechtsgeleerde P.L. Nève die promoveerde op een onderzoek naar het Rijkskamergericht en de Nederlanden, oordeelde in 1972[11]:

‘Hoewel de gegevens niet alle één kant op wijzen, meen ik toch, dat Borculo had dienen te eindigen als deel van het Stift Munster, en derhalve als deel van de Westfaalse Kreits’.

In 1904 was H.G. Harkema al tot een soortgelijke conclusie gekomen:[12]

‘Over ’t algemeen vind ik, dat de aanspraken van Munster beter gemotiveerd waren dan die van de graven van Limburg-Styrum’.

Dat laatste oordeel kan ik onderschrijven, maar uiteindelijk is de politiek en in het verlengde daarvan, de economische en militaire macht, doorslaggevend geworden. Daarover meer in volgende blogs.

Pas na het einde van de Dertigjarige Oorlog (1648), toen de rust langzamerhand terugkeerde, maar vooral na het aantreden van de in het Münsterland geboren vorstbisschop Christoph Bernhard von Galen in 1650, werd alles anders. Die maakte die zijn bedoelingen snel duidelijk. Daarover een volgend blog.

Eindnoten

[1] Het was oorspronkelijk mijn bedoeling om voor het Jaarboek Achterhoek en Liemers een artikel te schrijven over wat in de historische literatuur de ‘Kwestie Borculo’ is gaan heten. Maar de overstelpende hoeveelheid bronmateriaal – archieven en literatuur – maakten het nagenoeg onmogelijk om in een kort tijdsbestek alle onderdelen van deze wel zeer complexe zaak te bespreken en voor een groter publiek toegankelijk te maken. Via mijn website www.heerlijkheidborculo.nl kan ik op gezette tijden wat dieper inzoomen op al of niet relevante aspecten van deze ook langdurige zaak.

[2] H.W. Heuvel, ‘in gedenkdag van drie eeuwen’ (1915), in: idem, Nagelaten werk (Enschede 1973), blz. 77-78; H. Odink, ‘Een historische gedenkdag’ (1966), in: idem, Land en volk van de Achterhoek, (Enschede 1971), blz. 124-129.

[3] In 1309 gaf de Münsterse bisschop Konrad een privilege uit, waarin hij o.a. toezegde, dat lenen van de Munsterse kerk, mangoed of dienstmangoed, zowel op dochters als zonen konden vererven als er geen mannelijke erfgenamen van het leen aanwezig waren. De bepalingen werden vernieuwd in 1424 en 1426 en sindsdien gehandhaafd tot in de achttiende eeuw. (Theuerkauf, Land- und Lehnswesen vom 14. Bis zum 16. Jahrhundert (Köln, 1961), blz. 89 en blz. 13, voetnoot 57 (tekst uit 1426)).

[4] Daarom bevindt zich in de processtukken voor het Hof van Gelderland ook een afschrift van een leenregister van de heer van Solms, als heer van Ottenstein.

[5] In de bronnen wordt meestal het woord ‘superioriteit’ gebruikt. Aspecten daarvan waren: belastingheffing (inclusief de heffing van oorlogscontributies), de munt, deelname aan vergaderingen van ridderschap en steden (de gewestelijke staten), het houden van een garnizoen, het verbond uit 1469 tussen de hertog van Gelre en de heer van Borculo, waarbij de laatstgenoemde zijn kastelen en steden openstelde voor troepen van de hertog, regelgeving (landrecht, placaten) en de rechtspraak in hoger beroep. Deze ‘soevereiniteit’ moet onderscheiden worden van de jurisdictie, de rechtsmacht, die samen met het kasteel een nagenoeg onomstreden onderdeel vormde van het Münsterse leen Borculo.

[6] Op 12 februari 1476 verklaren Johan Mensynck, Johan van der Hoeve, Engelbert Vyrdach, Johan van Bulo, Sweder de Rode van Hekeren, “ryttermate mannen” van Gijsbert van Bronckhorst, heer van Borculo, en Johan van Mengeden, Albert Vysscher, Roloff Bernyssen, Hinrick van Collen en Arnt van Trier, “borgeren en ingesetenen to Borclo (…) dattet landt und herscappye van Borclo nyet en hoert totten hertochdom van Gelre offt grefscap van Zutphen en ock nywerlde [nooit] dar to gehort en hefft”. Gedrukt: J.H. de Meter, “Een onuitgegeven oorkonde betreffende de leenroerigheid van Borculo”, in: Verslagen en Mededelingen van de Vereeniging tot uitgave der bronnen van het oud-vaderlandsche recht, Nieuwe Reeks XI, 2 (1956), 415-422.

[7] Nationaal Archief, Collectie van Limburg Stirum, inv.nr. LN 240.

[8] Gelders Archief, Archief Hof, Brieven van en aan het Kwartier van Zutphen, 1614-1615

[9] Gelders Archief, Hof, civiele processen, inv.nr. 6290.

[10] Nationaal Archief, Collectie van Limburg Stirum, inv.nr. LN 240, Brief van graaf Joost aan de Duitse keizer d.d. 2 april 1614, waarin hij tot tweemaal toe schrijft dat heerlijkheid, ambt en goederen gelegen zijn in het vorstendom Geldern en graafschap Zutphen.

[11]  P.L. Nève, Het Rijkskamergerecht en de Nederlanden. Competentie – Territoir – Archieven (Assen 1972), blz. 284.

[12] H.G. Harkema, ‘De betrekkingen van het bisdom Munster tot de Nedelanden, inzonderheid tot Gelderland, tot aan de Vrede van Kleef, 18 april 1666’, in: Bijdragen en Mededelingen ‘Gelre’, VII (1904), blz. 30, voetnoot 1.

De Gelders-Münsterse grens van 1765-1766

Op 19 oktober 1765 werd in het klooster Groot Burlo, bij Winterswijk over de grens, door afgevaardigden van het Furstendom Gelre en Graafschap Zutphen enerzijds en het Hoogstift Münster anderzijds een akkoord gesloten over het verloop van de grens tussen beide landen. Tussen 20 september 1766 en 22 oktober 1766 werd er uitvoering aan gegeven. Van de plaatsing werd een protocol opgemaakt dat op laatstgenoemde datum te Winterwijk werd ondertekend.[1] In dat register werden de locaties van de stenen nauwkeurig beschreven, maar ook, welke stenen er geplaatst werden en op wat voor een ondergrond. In 2015/2016 is het dus 250 jaar geleden dat de Gelders-Münsterse grens opnieuw en definitief werd vastgesteld.

De in 1766 aan weerszijden van de Berkel in Rekken-Oldenkotte geplaatste grensstenen 10 en 11. Nr. 11 bevindt zich geheel op Duits grondgebied. De grens loopt hier enige honderden meters midden door de Berkel (situatie 2014).
De in 1766 aan weerszijden van de Berkel in Rekken-Oldenkotte geplaatste grensstenen 10 en 11. Nr. 11 bevindt zich geheel op Duits grondgebied. De grens loopt hier enige honderden meters midden door de Berkel (situatie 2014).

Veel van de oorspronkelijke stenen zijn nog aanwezig.  Steen nummer 1 zou bij de zogenaamde jurisdictiepaal geplaatst moeten worden, op de grens van Gelderland, Münster en Overijssel. Maar men was het niet eens over de exacte locatie, zodat, ter voorkoming van ‘contest’ gewacht moest worden op het antwoord van de hoogste vertegenwoordiger van het Overijsselse gezag in de regio, nl. de richter van Haaksbergen. De andere stenen werden wel geplaatst, waarbij en passant aardige historische details worden vermeld. Grenssteen nr. 2 kwam op de grens nabij de zgn. ‘Nieuwe kerk’, die geen schuilkerk meer was, maar de naam was behouden gebleven (‘Niekerk’). Daar werd ‘tussen een dubbelde landeweer aan het einde van de allee oft weg, in de sloot off  graven van de beide landeweeren’ de steen geplaatst. Onder deze steen  waren keien gelegd ‘nevens eenig swart gruis van smitskolen’. Enkele toponiemen en familienamen passeren de revue: de Winkelhorster capel (de kerk van Oldenkotte), Derk Oldenkotte, ‘de Gelderschen boer Oldenkotte’ (de naam komt aan beide zijden van de grens voor), de ‘Beumers Schwilschen Kamp, IJsevoorts Camp (naar een voormalige bezitter van havezate Borg of Mervelt in Rekken?). Interessant werd het bij de Berkel. Want wat doe je met een grenssteen als de grens midden door een te bevaren ondiepe rivier loopt? De grens liep verliep er tussen de stenen 10 en 11. In het protocol werden de bevonden situatie en de gekozen oplossing als volgt beschreven:

De in 1766 geplaatste grenssteen aan de Berkel bij Rekken-Oldenkotte. Hier de Münsterse zijde, wat te zien is aan het in de steen gehouwen wapen van het vorstbisdom (2014).
De in 1766 geplaatste grenssteen aan de Berkel bij Rekken-Oldenkotte. Hier de Münsterse zijde, wat te zien is aan het in de steen gehouwen wapen van het vorstbisdom. Het Gelderse wapen is op deze steen door weersinvloeden behoorlijk versleten (2014).

‘Bij de settinge van desen steen sub num. 10[2], bevond zig dat den landmeter een steen, sub num. 11[3], aan de oversijde van de Berkel op het Munsters territoir hadde laten brengen, om daardoor te betonen, dat tussen die beide steenen, het midden van de Berkel die scheidinge maakte, hetgeen door alle de heeren gecommitteerdens overtollig wierd geoordeelt, dan tegelijk niet raadsaam geagt die ongeset te laten, alsoo daardoor in de nummers ter sake, die overige steenen bereits op haare gedesigneerde plaatsen waren gebragt, ligtelijk een confusie soude hebben kunnen ontstaan, weshalven tot voorkominge van alle erreur en misverstande hetgeen daaruit dat eene met een Gelders wapen voorsienen steen in het geheel op Munsterschen bodem geset wierde, zoude hebben kunnen ontstaan, geresolveert en goedgevonden is te declareren, sooals geschied bij desen, dat die steen sub num. 11 blootelijk en alleen om daardoor het midden der Berkel als een scheidinge aan te duiden, sou geset worden, dog dat ter oorsake voorschreven, het Geldersche wapen daar wederom zoude worden uitgehouwen’.

Bij steen nummer 13 gebeurde het omgekeerde, toen die steen vanwege een sloot noodzakelijkerwijs geheel op Gelders grondgebied moest worden geplaatst. In Zuid-Rekken, nabij de  ‘Gelderschen Huttenkamp’ (de Hutte is nog een bestaande boerderij aan de rijksgrens in Rekken)  werden de stenen met de nummers 19 tot en met 26 geplaatst. Zij markeerden de Sneetgraven, waarvan men verwachtte dat die snel zou dichtgroeien. Omdat de grens hier niet in een rechte lijn verliep, werd meteen maar afgesproken om die hier regelmatig gemeenschappelijk te onderhouden.
De meeste stenen werden voorzien van de wapen van Gelre en Münster, maar de (enkele) kleinere stenen alleen met een nummer, bijv. nr. 27 in Zuid-Rekken.
Steen 36 werd geplaatst ‘in een kuil agter de Overdijks maete aan de Ramsbeeke’. Vandaar ging het op het Zwilbroek aan. Namen als Rensmanscamp en de Matsmate worden in andere historische veelvuldig in relatie tot markeconflicten tussen Eibergen en Vreden genoemd. Want conflicten tussen marken waren vaak een eerste signaal dat de grenzen nauwkeurig(er) bepaald moesten worden. Wanneer de markengrens tevens de grens was tussen verschillende landsheren, dan lag een ‘internationaal’ of ‘interprovinciaal’ conflict op de loer. In Eibergen en Rekken leverde dat vooral ruzies met Vreden (Münsterland) en Langelo/Haaksbergen (Overijssel) op. Vooral in de achttiende eeuw leidden markenruzies tot langdurige en kostbare procedures. Daarbij speelde de heer van Borculo, ook al was die erfmarkenrichter in Eibergen en Rekken, geen rol van betekenis meer. Conflicten met de buurlanden werden afgedaan door Gelderland, dat één van de zeven soevereine gewesten van de Republiek was.
Bij de Matsmaete, in de Holterhoek nabij het Zwillbrock,  begon een landeweer. Daar werd steen nr. 41 geplaatst. Op een hoek van het kampje aan het ‘Grolse voetpad ten einde van de landeweer’, werd steen 42 geplaatst. Vandaar verliep de grens verder ‘langs de nieuwe weide, alwaar het [Munsterse]  gerigt staat’. De stenen 46 en 47 werden in het veen ‘op geheide palen geset’.

Het Zwillbrocker Venn, detail van een topografische kaart, ca. 1990. De hier verder te bespreken grenssteen heeft nu het nummer 800A, maar op deze kaart nog het nummer 800.
Het Zwillbrocker Venn, detail van een topografische kaart, ca. 1990. De hier verder te bespreken grenssteen heeft nu het nummer 800A, maar op deze kaart nog het nummer 800.

Wie de wandelroute rondom het Zwilbroekse Veen kent, weet dat ongeveer halverwege, bij de rustplaats waar de route weer naar het noorden afbuigt, een oude grenssteen te vinden is. Het is de steen met het oude nummer 66 staat in het Zwilbroekse Veen. Hij is, zoals vele andere, voorzien van het Münsterse en het Gelderse wapen.

Grenssteen nummer 51 op het Zwillbrocker Venn, geplaatst in 1766. De steen heeft nu nummer 800A. Op de foto is de Gelderse (Meddose) zijde te zien met het gebeeldhouwde wapen van de provincie Gelderland (2014).
Grenssteen nummer 51 op het Zwillbrocker Venn, geplaatst in 1766. De steen heeft nu nummer 800A. Op de foto is de Gelderse (Meddose) zijde te zien met het gebeeldhouwde wapen van de provincie Gelderland (2014).

Bij de plaatsing in 1766 werd de locatie (in het Duits en (hier)het Nederlands) in eerder genoemd protocol als volgt omschreven:

‘Verder gaat die scheidinge van bovengemelten hoeksteen sub num. 48 ofte het middelpunt der beide gepraetendeerde hoekesteenen, in eene regte linie door het veen langs twee kleine steenen met letters sub num 49 en 50, tot op de plaats daar de soogenoemde Veenepaal gestaan heeft, alwaar een hoeksteen met wapens is geset sub num. 51.’

Deze steen staat er nog steeds en wordt op de topografische kaart als grenssteen 800a vermeld. Dit nummer is ook op een recent aangebracht plaatsje van kunststof op de zijkant van de steen te vinden.

Bennie te Vaarwerk

[1] Landesarchiv NRW Abteilung Westfalen, Msc. VII (z.T. Dep.), Nr. 464, Land-Grenzbuch des Amts Ahaus worinnen die mit denen benachbarten Provinzen getroffene Grenz Vergleiche, Schnadbeziehungen und desfalligen Protocolla, etc. zusammengetragen sind, 1770. De bestanden zijn fraai gedigitaliseerd en te vinden op de website.

[2] Nu grenssteennr. 825.

[3] Deze steen staat er nog. Op de topografische kaart van 1986/1989 heeft hij geen (nieuw) nummer. Hij staat geheel op Duits grondgebied. Zie foto.

Over archiefzorg in Borculo, Eibergen, Neede en Lichtenvoorde in 1847

Provinciale bemoeienis met de plaatselijke archieven

Het Gelderse provinciehuis in 1820.
Het Gelderse provinciehuis in 1820.

Op 17 augustus 1829 publiceerde de gouverneur (zoals de commissaris des konings toen nog werd genoemd) van Gelderland een besluit van de minister van Binnenlandse zaken over de openstelling van ‘de toegang tot de rijks, provinciale en plaatselijke archieven (…) voor de zoodanigen die in het algemeen belang nasporingen wenschen te doen’.[1] Dat ministeriële besluit is in zoverre interessant, dat daarin de basis gelegd had kunnen worden voor een meer systematische lokale archiefzorg en archiefbeheer. Aan het besluit lag een Koninklijk Besluit uit 1826 ten grondslag. Dat bepaalde dat er middelen beschikbaar moesten worden gesteld,

‘om de bronnen der Nederlandsche geschiedenis, voor zoo verre die tot nog toe onbekend of nog niet volledig bewerkt mogten zijn, te doen opsporen, nader te onderzoeken en zoo veel noodig in het licht te geven.’ Overwogen was, ‘dat het van veel belang is voor de kennis der Geschiedenis, dat de toegang tot de archieven niet gesloten zij; doch dat voor een goede bewaring der archieven tevens vereischt wordt, dat bepalingen worden vastgesteld omtrent de wijze, waarop particulieren in die verzamelingen zullen worden toegelaten’.

Provinciaal Blad van Gelderland. Besluit van gedeputeerde staten d.d. 22 november 1845, 'ter verzeekering eener goede bewaring van gedenkstukken van geschiedenis of kunst'.
Provinciaal Blad van Gelderland. Besluit van gedeputeerde staten d.d. 22 november 1845, ‘ter verzeekering eener goede bewaring van gedenkstukken van geschiedenis of kunst’.

Dat reglement regelde o.a. hetgeen wij nu de openbaarheid van de archieven noemen. In het reglement komt dat woord overigens nog niet voor. Het bepaalde dat het aan,

‘de heeren archivarussen, aan wien de bewaring is toevertrouwd van rijks, provinciale of plaatselijke archieven’ was, ‘om (…) de toelating tot het gebruik der onder hun beheer staande verzamelingen van archieven te verleenen aan alle bij hen bekende en vertrouwde personen, die in het algemeen geschiedkundige nasporingen wenschen te doen’.

Zoals zo vaak en gedurende zoveel jaren, was ook deze regeling weer veel mooier dan de praktijk. Op plaatselijk niveau gebeurde er nagenoeg niets. De toegang tot de meestal ongeordende en mede daardoor moeilijk toegankelijke archieven bleef beperkt tot een enkele heer van stand of, later, een enkele liefhebber van de lokale geschiedenis.

In 1845 kwam de provincie opnieuw in actie. Provinciale Staten hadden een reglement vastgesteld ‘ter verzekering eener goede bewaring van gedenkstukken van geschiedenis of kunst’.[2]  De gemeentebesturen moesten onderzoeken ‘in hoe verre er in hunne gemeente eenige voorwerpen van onderhavigen aard aanwezig zijn, en om in dat geval de benoemingen te doen, welke bij art. 3 van het reglement zijn voorgeschreven, en daarvan aan Gedeputeerde Staten te berigten.’ Verder moesten de gemeentebesturen bevorderen ‘dat de hiertoe in aanmerking komende gedenkstukken aan de gemeente worden afgestaan, om vanwege dezelve (…) in bewaring te worden overgenomen’, dan wel in overleg te treden met de betrokken eigenaren. Tenslotte moesten moesten de gemeentebesturen verslag doen ‘van derzelver verrigtingen’ in deze. Die verslagen kwamen in 1847.

Het stadhuisje van Borculo bij de Joriskerk. Hier werden de archieven eeuwenlang bewaard tot de afbraak in 1842.
Het stadhuisje van Borculo bij de Joriskerk. Hier werden de archieven eeuwenlang bewaard tot de afbraak in 1842.

Wat de burgemeesters van Borculo, Eibergen, Neede en Lichtenvoorde antwoordden[3]

Omdat de voormalige Heerlijkheid Borculo in zijn grootste omvang heeft bestaan uit de eveneens voormalige gemeenten Borculo, Eibergen, Neede en Lichtenvoorde, zijn de antwoorden van de burgemeesters van die plaatsen het meest van belang. Borculo voorop. Aangezien de burgemeesters van de voormalige stad Borculo ook als schepenen zitting hadden in het eigen stadsgericht en in het landgericht (dat recht sprak over de rest van de Heerlijkheid), was te verwachten dat er nog de nodige archivalia aanwezig waren die betrekking hadden op deze rechtsprekende taken. Op grond van het antwoord lijkt het archief vooral betrekking te hebben op het stadsbestuur en het stadsgericht. Edoch, wanneer men de inleiding op de archiefinventaris van het oud-rechterlijk archief van Stad en Heerlijkheid Borculo er op naslaat, dan leest men dat het ‘oudere gedeelte van het archief (…) in het jaar 1884 door den rijksarchivaris op den zolder van het toenmalige stadhuis in onbeschrijfelijken toestand [werd] gevonden en door hem naar het depot te Arnhem overgebracht’.[4] Over de lotgevallen van de archieven van vóór ca. 1733 schrijft Smit:

‘Omstreeks het jaar 1733 werd door den secretaris-landschrijver G. Vatebender eene nieuwe regeling getroffen. De meeste stukken ouder dan die datum en de oudere protocollen, werden uit de secretarie verwijderd en in eene zeer ongeschikte plaats, naar vermeld eene kamer in de kerk opgeborgen (Verslagen omtrent ’s-Rijks oude archieven 1884, pag 20). Van daar, dat men later opsomde: papieren die zoodanig door de wormen vernield waren, dat de inhoud onleesbaar was, terwijl de bladen van vele akten reeds hun verband verloren hadden (…)’.[5] Het jongere gedeelte van het oud-rechterlijke archief en enkele oudere stukken werden bewaard ter gemeentesecretarie en van daar in de 19de eeuw (in ieder geval na 1817) overgebracht naar de arrondissementsrechtbank van Zutphen om in 1888 overgebracht te worden naar het Rijksarchief in Gelderland.[6] De verschillende wijzen van bewaring hadden zeer verschillende gevolgen voor de materiële toestand. Smit:

‘Het oudste gedeelte heeft zwaar van vocht en ongedierte geleden en de volgorde was tot op enkele stukken volledig verstoord, maar bovendien waren ook fragmenten van veele stukken door het geheele archief verspreid. Naar schatting is van dit archief ruim de helft verloren gegaan’[!][7]

In het brandspuitenhuisje te Borculo zijn vier kolommen verwerkt die afkomstig zijn uit het oude stadhuisje. De kolommen zijn bekroond met koppen die eveneens uit het stadhuisje afkomstig zijn. Ze zijn op de tekening van Tavenier niet te zien.
In het brandspuitenhuisje te Borculo zijn vier kolommen verwerkt die afkomstig zijn uit het oude stadhuisje. De kolommen zijn bekroond met koppen die eveneens uit het stadhuisje afkomstig zijn. Ze zijn op de tekening van Tavenier niet te zien.

De brief van de Borculose burgemeester, gedateerd 2 september 1847, geeft belangrijke aanvullingen op hetgeen J.P.W.A. Smit in 1913 heeft beschreven. Hij schrijft o.a.,

‘dat te dezer plaats een aanzienlijke hoeveelheid oude papieren voorhanden zijn, die vroeger op het voormalige stadhuis in een zeer grote kast zijn bewaard geweest, en voornamentlijk bestaan uit oude processtukken van het vroeger bestaan hebbende eigen gerigt van Borculo, benevens uit oude stadsrekeningen, welke stukken voor de geschiedenis van geen belang te achten zijn’.

Hij was niet de enige burgemeester die meteen een oordeel verbond aan de historische waarde van oude, voor de gemeentelijke administratie van belang zijnde stukken. Als hij zijn zin had gekregen zouden de stadsrekeningen, die een substantieel deel uitmaken van het Borculose stadsarchief, nu niet meer aanwezig zijn.

Burgemeester Luijmes beschreef vervolgens het legerboek, dat uitermate belangrijke register van de stedelijke administratie, brieven van prins Maurits en de Spanjaarden, die het neutrale Borculo bescherming verleenden. De ‘oude papieren’, inclusief het rechterlijk archief, werden, aldus de burgemeester, na de sloop van het stadhuis (1842)[8], ‘in het nieuwe locaal, dat (…) aan de kerk is gebouwd’. Dat ‘locaal’ moet de ‘kamer’ zijn geweest, waar Smit over schreef. Het legerboek en de andere documenten werden ter secretarie bewaard.

Luijmes draait niet om de slechte toestand en toegankelijkheid van het oudere, in de kerkkamer bewaarde, archief heen: hoewel een gedeelte in pakketten gebonden was, verkeerde het,

‘nogthans in de grootste wanorde en verwarring’. Het was ‘dooreengemengd’ en ‘tijdens de langdurige bewaring in het voormalige stadhuis door lekkagie van het dak, zoodanig (…) beschadigd, dat een groot gedeelte van diezelve is vergaan of onleesbaar geworden’.

Detail kadastrale situaties centrum Borculo 1828 en 1845. Op de kaart van 1828 is de positie van het stadhuisje ten opzichte van de kerk goed te zien. In 1845 bestond het pand niet meer, maar is de aanbouw aan de kerk niet zichtbaar.
Detail kadastrale situaties centrum Borculo 1828 en 1845. Op de kaart van 1828 is de positie van het stadhuisje ten opzichte van de kerk goed te zien. In 1845 bestond het pand niet meer, maar is de aanbouw aan de kerk niet zichtbaar.

Uit Smits woorden valt op te maken dat de bewaring in de kerkkamer de slechte materiële toestand heeft verergerd. Het bericht van burgemeester Luijmes laat er geen twijfel over bestaan dat hiervoor juist de eeuwenlange slechte bewaring in het oude stadhuisje verantwoordelijk voor was. Van dat oude archief was volgens Luijmes geen inventaris aanwezig. De materiële toestand (de stukken waren ‘onvatbaar’) maakten dat ook niet mogelijk.

Interessant is de bewering van de burgemeester dat verschillende ‘van de meest belangrijke stukken’ uit het eerste tijdvak van na de stadsbrand, ‘waaronder ook de oude markenboeken’,  bij gelegenheid van vijandelijke overheersching [hij bedoelt het Munsterse bestuur in de periode 1579-1616 en de bezettingen van 1665-1666 en 1672-1674] zijn ontvoerd geworden, waarvan, zo men meend, een niet onbelangrijk gedeelte onder het archief der stad Munster of onder het bisschoppelijke archief aldaar, moet berustende zijn.’

De inhoudsopgave van het zich vroeger in het Staatsarchiv Münster bevindende Borculose archief. Tevens mooie oefening in het zo fraaie Duitse handschrift. (Staatsarchiv Münster)
De inhoudsopgave van het zich vroeger in het Staatsarchiv Münster bevindende Borculose archief. Tevens mooie oefening in het zo fraaie Duitse handschrift. (Staatsarchiv Münster)

Inderdaad bevonden en bevinden zich veel ‘Borculose’ stukken in Münster en dan vooral in de archieven van het voormalige vorstbisdom. Een deel van deze archieven zijn in de 19de en 20ste eeuw naar het Rijksarchief in Gelderland overgebracht. Het betreft in hoofdzaak bescheiden die nu deel uitmaken van het Archief der Heren van Borculo. Zonder de goede bewaring in Münster (en het niet verloren gaan van het Rijksarchief in Arnhem tijdens de Slag om Arnhem, beschikken we nog over een niet onbelangrijk heerlijkheidsarchief).

Burgemeester Luijmes zag geen bezwaar in het openbaar maken van de te Borculo berustende bescheiden van het stadsbestuur en het stadsgericht. Hij deelde tenslotte mee een begin te hebben gemaakt met ‘het sorteren van de voorhanden zijnde oude papieren, en heb mij voorgesteld, zulks voort te zetten en voleindigen, waartoe evenwel nog een geruimen tijd zal nodig zijn’. Na voltooiing daarvan zou hij verslag uitbrengen en een voorstel doen ‘tot vernietiging van alle gedeeltelijk vergane en onleesbaar geworden papieren, waarvan de verdere bewaring als geheel nutteloos en doelloos kan worden beschouwd’.

Dat het nog tot respectievelijk 1913 en 1981 zou duren voordat achtereenvolgens het oud-rechterlijk archief van stad en heerlijkheid en het archief van het stadsbestuur[9] geïnventariseerd zouden zijn, kon hij natuurlijk niet vermoeden. Maar het gaat in het Borculose geval niet op om te zeggen dat papier geduldig is. Nee, de helft is weg. Een gat in de Borculose geschiedenis. De bewaring van het oud-rechterlijk archief door het Rijksarchief in Gelderland en zijn opvolger, het Gelders Archief, leidde wel tot passieve conservering, maar een groot deel bleef ondanks inventarisatie niet toegankelijk voor het publiek. De gemeente Berkelland, als rechtsopvolger van de gemeente Borculo, en het Rijk, als archiefwettelijk verantwoordelijk voor het naar de Rijksarchiefbewaarplaats in de Provincie overgebracht oud-rechtelijke archief, zouden meer verantwoordelijkheid moeten tonen voor het in een goede materiële toestand brengen van dat archief.

Eibergen

Over de archiefzorg van het Eibergse gemeentebestuur heb ik eerder geblogd. De aanleiding was toen een passage over het Eibergse archief en de aanwezigheid van een benoemde ‘bewaarder der gedenkstukken van geschiedenis of kunst’ in het gemeenteverslag van burgemeester Koentz over 1851.[10]  Het blog is inmiddels aangevuld met nieuwere informatie. Het antwoord van diezelfde burgemeester op de provinciale aanschrijving van 1845 dateert van 31 augustus 1847. De brief geeft duidelijkheid over de benoeming van notaris G. ter Braak in genoemde functie. Daaruit blijkt dat hij door de gemeenteraad in die functie benoemd werd op 24 april 1846. Eibergen was de enige van de vier voormalige heerlijkheidsgemeenten die zo’n door de provincie gewenste ‘bewaarder’ had benoemd. De burgemeester schreef dat deze bewaarder nog in overleg zou treden met de predikant van de Hervormde gemeente om de inhoud van ‘eene kist’ bij de diaconie te onderzoeken op de aanwezigheid van ‘oude of meer belangrijke stukken’. Blijkens het gemeenteverslag over 1851 en latere verslagen, heeft het onderzoek in de kerkelijke kist geen nieuwe ‘belangrijke stukken’ opgeleverd (maar het kan ook zijn dat zo’n onderzoek in het geheel geen plaats gevonden heeft).

Neede

De burgemeester en assessor (‘wethouder’) van de gemeente Neede antwoordden op 7 september 1847 dat de ‘verzamelingen van archieven, welke geacht kunnen worden binnen deze gemeente aanwezig te kunnen zijn’ bestonden uit het gemeentearchief, vanaf de instelling van de gemeente in 1811, en de archieven van de Hervormde kerk, de provisorie en de diaconie, ‘welke bestaan uit weinige registers, waarin staan aangetekend de arresten [besluiten] der afgehoorde [gecontroleerde] rekeningen, doch overigens niets belangrijks inhouden.’

Lichtenvoorde

De burgemeester van Lichtenvoorde, J.H.A. van Basten Batenburg, was het kortst van alle burgemeesters. Hij berichtte:

‘dat in deze gemeente geene archieven aanwezig zijn, zoo van plaatselijken aard, noch van voormalige of nog aanwezige collegien, corporatien, kloosters of abdijen, als alleenlijk het gemeentelijk archief, hetwelk echter, voor zooverre mij bekend, niets bijzonders oplevert, vervallende diensvolgens de beantwoording der gestelde vragen (…).

Van Basten Batenburg gaf met dat antwoord wel blijk van een erg beperkt blikveld.
Bennie te Vaarwerk

 

Volledige transcriptie van de brieven van de burgemeesters/gemeentebesturen van Borculo, Eibergen, Neede en Lichtenvoorde.

[1] Provinciaal Blad van Gelderland, 1829, nr. 95, Besluit van 17 augustus 1829, no. 4152/15.

[2] Provinciaal Blad van Gelderland, 1845, nr. 127, Besluit van 22 november 1845, no. 69.

[3] Gelders Archief, 0039 Archief Gedeputeerde Staten van Gelderland, inv.nr. 6623, Correspondentie Districtscommissaris Zutphen, 1847. De volledige transcriptie van de brieven is hier te vinden.

[4] J.P.W.A. Smit, ‘Inventaris der oude rechterlijke archieven van de stad en de heerlijkheid Borculo’, in:  Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven, XXXV (1912) (Den Haag 1913), 233.

[5] Ibidem, 233.

[6] Ibidem.

[7] Ibid.

[8] H.W. Heuvel, Nagelaten werk (1973), blz. 140.

[9] De inventaris van het oud-archief van de gemeente Borculo, 1590-1817, kwam pas in 1981 gereed. Hij was in opdracht van het toenmalige gemeentebestuur samengesteld door J. Ebbenhorst Tengbergen, indertijd adjunct provinciaal archiefinspecteur.

[10] GA, 0039, GS Gelderland. Gemeenteverslagen, Eibergen, 1851.

20 december 1615: de Heerlijkheid Borculo werd ‘Nederlands’ gebied

Het omslag van het proces tussen 'Joost grave van Limburgh ende Bronckhorst' contra 'de heere Bisschop van Munster'. 'Sententie den 20 decembris 1615'. (Gelders Archief, Hof van Gelre, 0124, inv.nr. 5060-14)
Het omslag van het proces tussen ‘Joost grave van Limburgh ende Bronckhorst’ contra ‘de heere Bisschop van Munster’. ‘Sententie den 20 decembris 1615’. (Gelders Archief, Hof van Gelre, 0124, inv.nr. 5060-14)

Grote gebeurtenissen werpen hun schaduw vooruit: op 20 december 2015 kunnen de inwoners van het gebied van de voormalige Heerlijkheid Borculo en het Ambt Lichtenvoorde herdenken, dat hun voorouders 400 jaar geleden ‘Nederlands’ grondgebied werd. ‘Nederlands’, omdat in de toenmalige staatkundige constellatie het gebied de facto onder de soevereiniteit van het gewest of provincie Gelderland kwam te staan, die een van de zeven gewesten was waaruit de nog jonge Republiek der Zeven Verenigde Provinciën (of ‘Nederlanden’)bestond.
De Heerlijkheid Borculo, die in 1615 de kerspelen Eibergen, Neede, Geesteren, Borculo en Groenlo (met uitzondering van de stad en het schependom) omvatte, was tot dan toe een leen van de vorstbisschop en het kapittel van de Domkerk van Münster. Na de dood van gravin-weduwe Maria von Hoya, vrouwe van Borculo, in 1579, had Münster het bestuur over de Heerlijkheid in eigen hand genomen. Borculo zou zich ontwikkeld hebben tot een Münsters ambt (bestuursdistrict), als de geschiedenis daar geen stokje voor gestoken zou hebben. Na de dood van de laatste heer van Borculo uit het Huis Bronckhorst, graaf Joost van Bronckhorst, in 1553, kreeg zijn hierboven genoemde weduwe het vruchtgebruik van de Heerlijkheid, onder erkenning van de Münsterse rechten. Graaf Joost van Bronckhorst had geen naam van een erfgenaam ingevuld in zijn testament. Er kwamen dan ook enkele partijen die zichzelf tot erfgenaam van het Borculose deel van de omvangrijke Bronckhorster erfenis verklaarden, waaronder de graaf van Diepholz en de grafelijke familie Van Limburg Stirum. Münster meende dat Borculo een leen was, dat alleen in de mannelijke lijn kon vererven. De ‘erfgenamen’ bestreden dat. Vanaf 1553 vonden dan ook met enige regelmaat processen plaats, tot voor het hoogste Duitse gericht aan toe, het Rijkskamergericht. Daarmee was de ‘kwestie Borculo’ geboren. Het was dus niet het leenheerschap van de vorstbisschop  dat door de erfgenamen bestreden werd, maar de opvolging in Borculo. De oude en bewezen leenverhouding was voor Münster een belangrijke reden om het zo belangrijke vonnis van het Hof van Gelre en Zutphen op 20 december 1615 niet te erkennen. Het Hof was niet bevoegd over een Münsterse heerlijkheid te beschikken. Het proces tegen de keurvorst van Keulen als bisschop van Münster was voor het Hof aangespannen door graaf Joost van Limburg Stirum. Het Hof wees de Heerlijkheid Borculo toe aan de eiser. Münster ontruimde Lichtenvoorde en Borculo echter niet. Daarom was een militaire expeditie nodig, die achtereenvolgens Lichtenvoorde (eind december 1615 volgens de Gelderse kalender of 10 januari ‘nieuwe stijl’ 1616), en Borculo op 25 februari 1616 met enig geweld in bezit nam, waarna graaf Joost zich  kon laten inhuldigen in Lichtenvoorde en Borculo. Bij het beleg van het kasteel Borculo vielen nog enige slachtoffers. Het vonnis en het gevolg ervan wordt soms wel de ‘reductie’ van Borculo genoemd, letterlijk ‘terugvoering’ naar de oude verhoudingen. Eigenlijk is het een onjuiste uitleg, omdat Borculo voor 1616 nooit Gelders is geweest.

Het eerste blad van de inventaris van voor het proces voor het Hof van Gelre en Zutphen overgelegde stukken. (Gelders Archief, Archief Hof, 0124, inv.nr. 5060-14)
Het eerste blad van de inventaris van voor het proces voor het Hof van Gelre en Zutphen overgelegde stukken. (Gelders Archief, Archief Hof, 0124, inv.nr. 5060-14)

In de lokale historische literatuur heeft men in het verleden nauwelijks stilgestaan bij dit, in het licht van het verloop van de latere Duitse geschiedenis, zo belangrijke vonnis. H.W. Heuvel en Hendrik Odink, meester en leerling, wijdden respectievelijk onder de titels ‘Een gedenkdag van drie eeuwen’ (1915) en ‘Een historische gedenkdag’ (1966) korte artikelen aan de overgang van de Heerlijkheid Borculo van Münster naar Gelderland.  Maar de meeste aandacht ging uit naar één van de gevolgen ervan, namelijk de hervorming van de kerken in Borculo in calvinistische zin. Voor de protestantse kerken in de Heerlijkheid is er eerst een bijzonder en lokaal jubileum in 1616 vóórdat men meer algemeen algemeen de kerkhervorming van Luther herdenkt (1517-2017).

In het komende (lange jaar, te rekenen tot en met februari 2016) zal ik af en toe artikelen op deze website en dit blog publiceren die deze belangrijke gebeurtenis aan de vergetelheid moeten ontrukken.

Bennie te Vaarwerk