Categoriearchief: Adel

Nieuwe markenstenen voor de Mark van Mallem

De enige titel op de grafsteen van baron A.A.F.M. van Mulert te Hengelo (Ov.)
De enige titel op de grafsteen van baron A.A.F.M. van Mulert te Hengelo (Ov.)

Eigenlijk is het niet mijn ding: historie naar de hand zetten van partijen die een toeristisch/commercieel product willen maken. Naar mijn mening wordt dan maar al te vaak de geschiedenis geweld aangedaan. Jede Konsequenz führt zum Teufel, is een bekende Duitse uitdrukking in dit verband. Aan de andere kant is het wel weer zo, dat zo’n speurtocht toch nog verrassende dingen oplevert, die historisch weer relevant zijn.

De Stichting Marke Mallem (SMM) beheert enige gronden aan de Berkel bij Eibergen. De meeste daarvan liggen aan de zuidzijde, in een gebied, waarvan ik geen andere gegevens kan vinden, dan dat dat voor het overgrote deel ligt/gelegen heeft onder Eibergen en Olden Eibergen. Slechts een klein deel, in een omstreeks 1895 afgesneden Berkelbocht, lag in de buurschap  Mallem. De grens tussen Eibergen/Olden Eibergen en Mallem wordt historisch gevormd door de Berkel. Zelfs het moleneiland bij de Mallemse Molen ligt op Eibergs grondgebied, al hoorden de gronden (natuurlijk) wel toe aan de bezitter van het Huis Mallem. Nu heeft de SMM het plan opgevat om enige markenstenen te plaatsen bij de door hen beheerde gronden. Waar moesten de stenen geplaatst worden en hoe moesten ze eruitzien? En toen kwam ik in beeld…

Voor de beantwoording van die en andere vragen waren volgende (historische) feiten en overwegingen van belang:

Een bewaard gebleven, zij het beschadigde, markensteen in Mallem, die, achter sportpark De Bijenkamp, de grens markeert met de Needse buurschap en marke Hoonte. Het gebied hier heet de Mallerhaar. dominee-dichter Willem Sluiter heeft er al over geschreven in de 17de eeuw.
Een bewaard gebleven, zij het beschadigde, markensteen in Mallem, die, achter sportpark De Bijenkamp, de grens markeert met de Needse buurschap en marke Hoonte. Het gebied hier heet de Mallerhaar. dominee-dichter Willem Sluiter heeft er al over geschreven in de 17de eeuw.
  • Feit is dat de mark van Mallem, verdeeld in 1845, ooit markenstenen heeft laten plaatsen op de grens van Mallem met de Needse buurschap Hoonte. De enige steen die daarvan nog bestaat, bevindt zich achter het Sportpark de Bijenkamp. Een historisch voorbeeld is er dus. Maar het is een steen zonder wapen.
  • Wel of geen markengrond? En zo ja, bij welke mark hoorden ze dan? En welk wapen moet er dan op geplaatst worden? Omdat de buurschap Mallem nooit een ‘eigen’ wapen heeft gehad, zou dit afgeleid kunnen worden van het wapen van een van de geslachten die ooit, als bezitters van de Hof te Mallem, ook het markenrichterschap erfelijk bekleedden. Zulke stenen kunnen alleen aan de rand/op de grens van het gebied in Mallem geplaatst worden. In het gebied in Olden Eibergen, dat nu door de Marke Mallem wordt beheerd, is plaatsing van een markensteen met het Mallemse wapen niet mogelijk. Op de hieronder afgebeelde overzichtskaart uit 1828 betreft het de tweede naar het zuiden uitstulpende bocht in de Berkel ten westen van Eibergen. Eind 19de eeuw is de Olden Eibergse Berkelbocht gedempt bij de eerste Berkelverbetering. In die voormalige uitstulping ligt nu hoogstwaarschijnlijk de recent gegraven waterplas ten westen van het voormalige kantoor van de woningbouwvereniging. Plaatsing van een markensteen in dit gebied is door de ingrijpende wijzigingen welhaast uitgesloten. Bovendien is dat gebied is niet zo toeristisch. Men zou kunnen volstaan met de plaatsing van een markensteen nabij de Stokkersbrug. Een eventueel wapen op deze steen kan echter alleen verwijzen naar de erfmarkenrichter van Olden Eibergen: de heer van Borculo (drie bollen in een schild).
  • Markenstenen vindt men op de grenzen van ooit betwist gebied. Ze zijn door de twistende partijen gezamenlijk geplaatst. Men vindt ze vooral op de veldgronden, de gemeenschappelijke gronden (heide, veen, weide, bossen) en niet in de waarschijnlijk al vroeg verdeelde c.q. verkochte weidepercelen aan de Berkel. Zo verkocht de mark van Olden Eibergen eind 16de eeuw een perceel weidegrond nabij de Stokkersbrug. Daaruit blijkt dat de weidegronden in die eeuw nog (gedeeltelijk) markegronden waren. Het gebied heet daar toepasselijk ‘Markenbrink’, de nieuwe N18-brug komt er in te liggen. De mark van Olden Eibergen ging over tot verkoop van de Berkelweiden om de ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog door de strijdende partijen opgelegde schattingen en daardoor ontstane markenschuld te kunnen betalen. Voor alles moet duidelijk zijn, dat markenstenen alleen op de grens geplaatst kunnen worden. De oude betekenis van het woord mark is overigens ook ‘grens, grensgebied’.
Detail overzichtskaart Eibergen, Mallem en Olden Eibergen van de kadastrale minuutplans 1832
Detail overzichtskaart Eibergen, Mallem en Olden Eibergen van de kadastrale minuutplans 1832
  • Het is de vraag of het door de Stichting beheerde gebied tussen Oude en Nieuwe Berkel historisch gezien tot de buurschap Mallem heeft behoord. Het kadaster van 1828 hanteert de Berkel als strikte scheiding tussen de kadastrale secties A (Mallem) en D (Eibergen en Holterhoek), zoals de bijgaande overzichtskaart van de kadastrale gemeente Eibergen uit 1828 laat zien. Naar huidige maatstaven betekent dat, dat de Nieuwe Maat bij Eibergen en een groot gedeelte van het huidige industrieterrein De Mors historisch gezien bij de buurschap Mallem (A, 5de blad) behoorden. Het is echter niet duidelijk of dit een zuivere kadastrale scheiding betreft of dat deze is gebaseerd op de of een historische markengrens of grenzen tussen buurschappen/dorp. Feit is wel dat de meeste grondbezitters in 1828 van de thans door de SMM beheerde gronden bij de Mallemse Molen, behoorden tot de gegoede burgerij van het stadje Eibergen. Dat de ten zuiden van de Berkel gelegen weidegronden bij de Mallemse Molen toebehoorden aan baron van Mulert, doet daaraan niets af. De in het Mallemse Markenboek beschreven ‘grensconflicten’ spelen zich vooral af op de grenzen met Hoonte (‘Mallerhaar’, omgeving Bijenkamp) en Rekken. Daarbij ging het om echte onverdeelde gronden, markengronden dus.
Detail Kadastraal minuutplan 1828, Sectie D, Eibergen, 2de blad, nu globaal gelegen tussen N18 en Mallemse Molen. De Stichting Marke Mallem beheert het noordelijke deel, tegen de Berkel.
Detail Kadastraal minuutplan 1828, Sectie D, Eibergen, 2de blad, nu globaal gelegen tussen N18 en Mallemse Molen. De Stichting Marke Mallem beheert het noordelijke deel, tegen de Berkel.
  • Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel[1] waren in het gebied, toen kadastrale sectie D, Eibergen, 2de blad, in 1828 van west (ca. huidige Berkelbrug/toenmalig voetvonder) naar oost (schutssluis Mallem) de volgende grondeigenaren te onderscheiden:
    • D2, kad.nr. 775: de Mark van Eibergen, perceel weiland, groot 0.17.20 bunder (= ha.) [De Pol, nabij de huidige nieuwe Berkelbrug en de replica];
    • D2, kad.nr. 776: Derk Bouwmeester, winkelier, perceel weiland, groot 1.49.00 bunder;
    • D2, kad.nr. 777: Gerrit Smits en consorten, vrederichter, perceel weiland, groot 2.14.50 bunder
    • D2, kad.mr. 824: Derk Smits en consorten, rentmeester, perceel weiland, groot 4.94.20
    • D2, kad. Nr. 825: Baron van Mulert, ‘Cameren’ (Camen/Kamen in Westfalen), perceel weiland, groot 5.25.00 bunder. Op het oostelijke deel hiervan bevindt zich nu de Kruidentuin.
    • D2, kad.nr. 826: Baron van Mulert, Kamen, perceel weiland, 0.0.6 bunder (landtong, Moleneiland)
    • D2, kad.nr. 827: Baron van Mulert, Olie- en runmolen.
    • D2, kad. nr. 828: Baron van Mulert, perceel weiland, groot 0.08.30 (Moleneiland).
    • D2, kad.nr. 829: Baron van Mulert, perceel weiland, groot:4.40.40 bunder (‘Mallemse bosje’, waterschapsbos);
    • D2, kad. nr. 830: Baron van Mulert, perceel bouwland (bij de Haller, ten zuiden van de weg Eibergen-Mallemse Molen)
    • D2, kad.nr. 831: vrederechter Gerrit Smits, perceel bouwland, groot 1.40.60 (als hiervoor).
    • In het volledig verdeelde gebied lagen dus geen markengronden van de mark Mallem. De belangrijkste grondbezitter, vooral bij de Molen en ten zuiden daarvan, was baron van Mulert, o.a. ‘heer van Mallem’. Het meest westelijke deel, de Pol[2] genaamd, was eigendom van de Mark van Eibergen. Dat Mulert alleen de gronden in de omgeving van zijn molen bezat, is alleen daarom al verklaarbaar. Het eigendom wil niet zeggen dat het kadastrale perceel nr. 825 ook in de buurschap Mallem lag, integendeel zelfs. Ook het Moleneiland wordt nog gerekend onder de kadastrale sectie D2 (Eibergen)!
  • Het nu door de Marke Mallem beheerde gebied ten westen van het Industrieterrein de Mors, ligt historisch gezien voor een deel in Olden Eibergen, en voor een ander deel in Mallem. Dat laatste betreft waarschijnlijk ook de grote poel of waterplas ten westen van het industrieterrein, die er recent is gegraven. De grond in die Mallemse uitstulping behoorde toe aan twee grondeigenaren:[3]
    • A5, kad.nr. 684: JW te Vaarwerk, landbouwer, weiland, groot 1.61.80 ha.
    • A5, kad.nr. 685: wed. Löben Sels te Zutphen, weiland, groot: 2.56.40

In dit gebied, zowel het Mallemse als Oldeneibergse deel, zijn geen markengronden meer traceerbaar. Mogelijk zijn de groengronden al vroeg verdeeld, als ze al ooit tot een van de marken behoord hebben. In de mark van Olden Eibergen was de heer van Borculo erfmarkenrichter. Omdat die dat ook was in de aan Mallem grenzende marken van Eibergen en de Holterhoek, Rekken en Hoonte, moet in ieder geval diens wapen aan zijn zijde van een eventueel daar te plaatsen markensteen worden opgenomen.

Het wapen van Coenraet Willem Mulert op de grafsteen van zijn achterkleinzoon A.A.F.M. van Mulert op het oude kerkhof te Hengelo (Ov.)
Het wapen van Coenraet Willem Mulert op de grafsteen van zijn achterkleinzoon A.A.F.M. van Mulert op het oude kerkhof te Hengelo (Ov.)

Wapens
Wanneer nu een wapen ‘gekozen’ moet worden voor de stenen, dan neig ik ernaar een wapen van de familie Van Mulert voor te stellen,  de familie van de laatste leenbezitters en erfmarkenrichters van Mallem. Die familie is nog het meest verbonden met Mallem, o.a. door de publicaties van Hendrik Odink.[4]  Hij beschreef hem als ‘een wonderlijk heerschap’, die in Eibergen voortleefde ‘onder de naam van ‘de champagne-baron’ of ‘de dolle baron’. Odink meldt verder dat hij op het oude kerkhof te Hengelo ‘naar zijn uitdrukkelijk verlangen gelaarsd en gespoord ter ruste is gelegd, omdat hij, zoals hij, zoals hij dikwijls tegen de Mallumse mulder had gezegd, in de hel wilde rondrijden’. Gevers en Mensema[5] beschreven hem als ‘verkwistend en gauw gesepareerd van zijn vrouw’. Dat laatste kan kloppen, want in zijn overlijdensakte wordt gemeld, dat zijn vrouw te Camen (Kamen, Dld) woont. Zo’n figuur en zulke verhalen wekken de interesse om er meer over aan de weet te komen. In dat kader ben ik afgereisd naar Hengelo (Ov), waar op het oude kerkhof aan de Bornsestraat dus die grafsteen moest liggen van de ‘Dolle baron’, met het wapen erop. Dat was een waardevolle tocht, temeer omdat de steen zo nadrukkelijk, wat mij onbekend was,  de titel ‘Heer van Mallum’ vermeldt. Dat kerkhof, aangelegd rondom de oorspronkelijke parochiekerk van Hengelo (gesloopt, maar op het terrein weer herkenbaar gemaakt), grensde aan het perceel waarop het in 1821 gesloopte Huis Hengelo stond. Dat huis was ook een bezit van de Von Mulerts. Baron Adolph August Friderich Maurits von Mulert heeft dat bezit in 1830 van de hand gedaan.[6] Hij overleed op 20 februari 1832 in het huis met het nummer 21 in het ‘dorp Hengelo’. In de overlijdensakte staat dat hij rentenier en grondeigenaar was. Een titel die naar het Hengelose bezit had kunnen verwijzen ontbreekt (dus) op de grafsteen. Ook wordt niet verwezen naar andere bezittingen, zoals Strünkede of Kamen. Naast zijn naam, geboorte- en overlijdensdatum wordt alleen de titel ‘Heer van Mallum’ vermeld. Op die steen bevindt zich een goed bewaard gebleven, fraai en groot wapen met in het midden een schild met drie kepers (soort passer of puntdak), met in het omschrift de naam Coenraet Willem Mulert, de overgrootvader van baron A.A.F.M. von Mulert. De bewoner van het fraaie pand bij de ingang van het kerkhof, lichtte toe, dat de steen een hergebruiksexemplaar was. Maar sporen van een andere naam of bijbehorende gegevens en/of bewerking ontbreken, zodat mij het meest waarschijnlijk lijkt, dat deze steen oorspronkelijk alleen de naam en het wapen van C.W. von Mulert bevat heeft.

De belangrijkste onderdelen van de grafsteen van baron A.A.F.M. von Mulert, bijgenaamd de 'Champagnebaron' en 'Dolle baron', bij elkaar gezet. Het wapen is door de bewerking wat vertekend.
De belangrijkste onderdelen van de grafsteen van baron A.A.F.M. von Mulert, bijgenaamd de ‘Champagnebaron’ en ‘Dolle baron’, bij elkaar gezet. Het wapen is door de bewerking wat vertekend.

Ik heb de Stichting Marke Mallem geadviseerd om alleen het schild met de drie kepers te gebruiken in de nieuwe Mallemse Markenstenen en alleen voor die stenen die geplaatst worden op de grens van de buurschap en mark Mallem met het door haar beheerde gebied. Aan de andere kant van die stenen, Eibergs en Olden Eibergs grondgebied, kan het wapen van de heren van Borculo geplaatst worden, want die waren erfmarkenrichter in zowel Eibergen als Olden Eibergen. Een andere optie is dat de Stichting Marke Mallem zelf een wapen laat ontwerpen en dat plaatst op één van de zijden van de steen. Daarmee leg je ook een verband tussen de historische context en de 21e eeuw, waarin teruggegrepen wordt op dat historische fenomeen van de marken.

Bennie te Vaarwerk

Noten

[1] http://watwaswaar.nl/#fI-Su-3-1-1v-1-4fLundefiqWC-2880—864 [2] Over dit gebied heb ik een weblog gepubliceerd: https://www.heerlijkheidborculo.nl/blog/2015/04/05/geschiedenis-van-de-oude-n18-de-fabriek-van-bouquie-in-eibergen/ Kortheidshalve verwijs ik daarna en de erachter liggende longread. [3] http://watwaswaar.nl/
[4] Hendrik Odink, ‘De molen en de hof te Mallem’, in: idem,Uit kroniek en volksmond van de Gelderse Achterhoek (2de druk, Enschede 1976), blz.68-69.
[5] A.J. Gevers en A.J. Mensema, De havezaten in Twente en hun bewoners(Zwolle 1995), blz. 139.
[6] H. Reynders, A. Verlinde, Z. Kolks en J. Kottman, Historie en opgraving van het Huys Hengelo en zijn voorgangers (Hengelo 1996).

Boedelbeschrijvingen van de kastelen Borculo, Lichtenvoorde, Bronckhorst en Eerbeek uit 1554

Kasteel Borculo in 1743. De noordoostzijde is al nagenoeg geheel vervallen. Na het min of meer gedwongen vertrek van de Van Limburg Stirums werd het kasteel niet meer adellijk bewoond.
Kasteel Borculo in 1743. De noordoostzijde is al nagenoeg geheel vervallen. Na het min of meer gedwongen vertrek van de Van Limburg Stirums werd het kasteel niet meer adellijk bewoond.

Het is in de Oostnederlandse context een be­trekkelijk uniek gegeven dat er enkele zestiende eeuwse boedelinventarissen bewaard gebleven zijn van adellijke huizen. En dan nog wel van drie adel­lijke huizen in de heerlijkheid Borculo en twee behorend tot de graafschap Bronckhorst. Het betreft de huizen Borculo, Aamschot, Lichtenvoorde, Bronckhorst en Eerbeek. Gemeenschappelijke noemer was dat de huizen aan dezelfde eigenaar behoorden, nl. de graaf van Bronckhorst, die tevens heer van Borculo was. De boedelinventarissen zijn getranscribeerd (overgezet in modern schrift) en te vinden op de pagina over de Borculose kwestie in documenten.

De boedelinventarissen bevatten een opsomming van het op de vijf huizen aanwezige roe­rend goed en van de schulden van de op 5 oktober 1553 op het huis Eerbeek aan de ‘sweetsieckte’ overleden laatste heer van Borculo uit het huis Bronckhorst, graaf Joost van Bronckhorst. De lijsten blinken uit door de details die een goed inzicht geven in het leven van één van de belangrijkste adellijke families in Oost-Nederland in het midden van de zestiende eeuw. Maar minstens even belangrijk is de beschrijving voor de bouwgeschiedenis van de verschillende huizen, want de inventarisa­tie van de roerende goederen van de graaf en gravin geschiedde per huis en per vertrek. Daardoor wordt het voor het eerst in de geschiedenis mogelijk een indruk te krijgen van de gebouwencomplexen te Borculo, Lichtenvoorde, Bronckhorst en Eerbeek. De beschrijvingen maken het mogelijk een rangorde aan te brengen in de kastelen. Qua omvang scoort Borculo het hoogst, Lichtenvoorde het kleinst. Dat laatste lijkt in het midden van de zestiende eeuw niet meer dan een jachtslot te zijn geweest.

Na het kinderloos overlijden van graaf Joost in 1553 (de titel ‘graaf’ had hij
omstreeks 1530 aangenomen en heeft alleen betrekking op Bronckhorst) kwamen
Borculose bezittingen in zwaar weer terecht. De Heerlijkheid Borculo was een leen van de vorstbisschop van Münster. Bovendien kon Borculo, volgens Münster, alleen in de mannelijke lijn vererven. Hoewel graaf Joost een testament had, heeft hij verzuimd daarin de naam van een erfgenaam te vermelden. De leenheer trok vervolgens het manleen Borculo aan zich. De gravin-weduwe, Maria von Hoya
(ook wel Von der Hoya und Broickhausen genoemd), kreeg het vruchtgebruik van de heerlijkheid voor de duur van haar leven. In de bronnen uit die tijd kun je haar tegenkomen als de ‘lijftuchtersche’, de ’tuchtersche’ en/of ‘regentesse’. Maria von Hoya overleed in 1579, waarna Münster het bestuur over de heerlijkheid aan zich trok en twee partijen, te weten de graaf van Diepholt en graaf Joost van Limburg-Stirum, probeerden hun erfrechten geldend te maken.

De poort van kasteel Bronckhorst in 1743.
De poort van kasteel Bronckhorst in 1743.

Graaf Joost had een gigantisch bezit nagelaten, daaronder het graafschap Bronckhorst, de heerlijkheid Borculo (met het ambt Lichtenvoorde) en vijf kastelen: Bronckhorst met Eerbeek, Borculo met Aamschot en Lichtenvoorde.

Op 13 januari 1554 verscheen de gravin-weduwe in hoogsteigen persoon voor notaris Theodorus van Kernebeek van Vreden en verzocht hem een inventaris te maken van de inboedel van de genoemde huizen en kastelen. Met de getuigen Wolter de Rode van Heeckeren, richter van Borculo, Johannes Haecke, secretaris van Hoya, Tilman van Raisfelt, rentmeester en Wilhelmus van Ee of Ede, korenschrijver te Borculo,  werden de kastelen bezocht en vertrek voor vertrek opgenomen waaruit de boedel bestond.

De boedellijsten geven veel informatie over de kleding, sieraden, meubilair en inrichting van de huizen. Daardoor wordt het mogelijk een goed beeld te krijgen van de verschijning van de laatste graaf en gravin uit het Huis Bronckhorst. Momenteel is re-enactment in de mode. Wellicht is er een Borculose of andere toneelgroep te vinden die hiermee iets kan doen.

Bennie te Vaarwerk

 

Needse geschiedenis in Eibergse kerk

Schildering in de Oude Mattheuskerk te Eibergen met het familiewapen Van Barmentloo.
Schildering in de Oude Mattheuskerk te Eibergen met het familiewapen Van Barmentloo.

In de kerk van de Protestantse gemeente  in Eibergen, naar de vóórreformatorische patroonheilige tegenwoordig de Oude Mattheus genoemd, bevindt zich een bijzondere en qua voorstelling moeilijk te duiden muurschildering. De op zich eenvoudige schildering bevindt zich in de noorderbeuk boven de boog die deze beuk scheidde van het vroegere Mariaportaal. Het is een wereldse voorstelling. Van links naar rechts zien we op een heuvelachtige ondergrond een gebouw dat een kerk zou kunnen zijn, vervolgens drie figuren, waarvan links een vrouw met een kroon, een vogel (eend?) in haar rechterhand en in haar linkerhand iets dat op een grotere (boodschappen)tas lijkt. De beide mannen lijken ridderfiguren met geheven zwaarden. Verder naar rechts weer een gebouw dat een versterkt huis zou kunnen zijn, omdat de toren voorzien is van kantelen. Daarnaast een vaandel met een wapenschild. Eronder zijn enkele onduidelijke wezens afgebeeld en daar weer onder de gotische letters S.s., waaraan meerdere betekenissen toegekend kunnen worden. Op de heuvel voor de kerk (of waarop de kerk staat) lijkt een uil afgebeeld te zijn, maar als deze figuur maar half afgebeeld is, zou het ook een bok kunnen zijn. Aan de voeten van de mannen zien we tenminste twee, misschien drie blaffende honden. Achter het linkerbeen van de man links is iets afgebeeld dat lijkt op een hoofd. Er lijkt ook nog iets dat op een beker lijkt op de ‘heuvel’ tussen de mannen in te staan. De derde hond springt er tegen aan. Verder nog wat onduidelijke wezens (w.o. vissen?) Onder de gotische letters is een geblokt patroon aangebracht op de rand van de boog.
Het enige dat herleidbaar is, zijn de twee hoorns op het vaandel dat aan een (geschilderde) stok gehangen is. De hoorns behoren bij het familiewapen van de familie Van Barmentloo. Dit geslacht bewoonde in de vijftiende en zestiende eeuw de enig nog bestaande oorspronkelijke Borculose havezate De Kamp bij Neede. De familie voerde twee jachthoorn in het familiewapen, overigens in meerdere varianten. Verwijst daarmee deze schildering naar een jachttafereel? Daar zijn aanwijzingen voor te vinden: de twee of drie (blaffende) honden, de vogel die de vrouw in de hand heeft en mogelijk zijn ook enkele andere van de onduidelijke figuren, tenminste als die als bestaande dieren kunnen worden bewezen. Daartegen pleit echter dat de beide mannen een zwaard en in hand hebben en/of daarmee zwaaien/dreigen. Ook de schede, voor het opbergen van het zwaard, is duidelijk te zien. Hun houding en uitrusting wijst eerder op een krijgstoneeltje of een toernooi-achtige omgeving, wat versterkt wordt door de aanwezigheid van de dame. Zij draagt een kroon met drie punten, wat wel wijst op een adellijke achtergrond. Tegenwoordig wordt zo’n kroon heraldisch toegewezen aan burggraven, in Nederland de beheerder van een kasteel, in België een lage adellijke rang.

Huize De Kamp in Hoonte onder Neede (2004)

Maar wat heeft nu de Needse familie Van Barmentloo in de Eibergse kerk te zoeken (gehad)? Er zijn een paar duidelijke aanwijzingen voor. In 1536 wordt in een akte betreffende het altaar of vicarie van St.-Catharina in de Eibergse parochiekerk Andreas de Bermtloe als getuige genoemd. En in 1552 wordt een vicaris Andries de Bermtloe als getuige vermeld. We mogen er wel van uit gaan dat het hier gaat om een en dezelfde persoon. Hij had dus een vicarie in de Eibergse parochiekerk. Mogelijk heeft hij zijn familiewapen (en de voorstelling) laten aanbrengen hoog in de boog boven de plek waar ongetwijfeld eens het altaar stond waarvan hij de bedienaar was.

N.B. De kerk is momenteel op de woensdagmiddag en de zaterdagmiddag opengesteld voor publiek. Meer informatie: http://www.pkneibergen.nl/

Bennie te Vaarwerk